Handelsnaamrecht


De naam van een onderneming: de handelsnaam in de zin van de Handelsnaamwet

Niet alleen natuurlijke personen en rechtspersonen, maar ook 'ondernemingen' voeren een eigen naam. De naam waaronder een onderneming wordt gedreven, noemen we een handelsnaam (art. 1 Hnw).

De handelsnaam moet niet met een merk worden verward. Een merk onderscheidt ofwel de waren, ofwel de diensten die door een onderneming worden geproduceerd. Hij onderscheidt niet die onderneming zelf, zoals de handelsnaam doet. Verwarring tussen handelsnaam en merk is niet denkbeeldig, aangezien de handelsnaam van een onderneming dezelfde kan zijn als het merk voor de waren of diensten die in die onderneming worden geproduceerd (bijv. 'Philips', 'IBM', 'Aegon' zijn zowel handelsnaam als merk). Het recht inzake merken is ondergebracht in de 'Benelux-Merkenwet'. Aan de geldigheid van een merk worden strengere eisen gesteld dan aan de geldigheid van een handelsnaam. Een merkrecht biedt de merkhouder echter wel meer bescherming dan een handelsnaam.

De handelsnaam is geregeld in een aparte wet, de zogenaamde Handelsnaamwet. Deze wet bepaalt wat onder een handelsnaam moet worden verstaan en beoogt ondernemingen te beschermen tegen het ongeoorloofde gebruik van hun handelsnaam door derden. Zo kan iedere onderneming, wiens naam ten onrechte door een ander wordt gevoerd, zich krachtens deze wet tot de kantonrechter wenden met het verzoek, degene die de handelsnaam gebruikt, te veroordelen, daarin zodanige door de rechter te bepalen wijziging aan te brengen, dat de gestelde onrechtmatigheid wordt opgeheven (art. 6 lid 1 Hnw). Daarnaast kunnen een aantal andere belanghebbenden, waaronder de Kamer van Koophandel, tegen het ongeoorloofde gebruik van een handelsnaam opkomen (art. 6 Hnw).


De onderneming die een handelsnaam voert

De handelsnaam staat gezien de omschrijving in art. 1 Hnw in nauw verband met het begip 'onderneming'. Over dit begrip wordt in de Handelsnaamwet zelf niet gesproken. Voor haar betekenis moeten we te rade gaan bij de Handelsregisterwet. Onderneming in de zin van die wet is een 'bedrijf met winstoogmerk'. De Handelsnaamwet sluit in beginsel bij deze omschrijving aan. Wel moet worden opgemerkt dat voor de werking van de Handelsnaamwet eerder het bestaan van een bedrijf - en aldus een onderneming - wordt aangenomen dan voor de Handelsregisterwet, hetgeen wellicht verband houdt met het feit dat de Handelsregisterwet voor de betrokken 'ondernemer' tot plichten leidt, terwijl uit de Handelsnaamwet juist rechten voortvloeien.

Ook beroepsactiviteiten kunnen, door het georganiseerde verband waarin zij worden uitgeoefend, tot een bedrijf verworden. Men denke aan grote advocaten- en accountantskantoren. Op zichzelf dienen de activiteiten van een advocaat en accountant als beroep te worden gekwalificeerd. De (omvang van de) organisatie van het advocaten- en accountantskantoor en de wijze waarop het zich naar buiten toe presenteert, kunnen evenwel tot gevolg hebben dat de activiteiten als een bedrijf moeten worden aangemerkt, althans daarmee voor de Handelsnaamwet en de Handelsregisterwet gelijk moeten worden gesteld.

Op zichzelf geldt dit zowel voor de Handelsregisterwet als voor de Handelsnaamwet. Maar eist de rechter voor de toepassing van de Handelsregisterwet een duidelijk organisatorisch verband, bij de Handelsnaamwet neemt hij genoegen met een zeer geringe organisatiegraad. Zo oordeelde de rechter in 1974, dat ook de popgroep 'Ekseption' een onderneming was in de zin van art. 1 Hnw, 'omdat de activiteiten van de groep duidelijk waren uitgestegen boven het niveau van het eenvoudig tezamen uitoefenen van een beroep tot een goed georganiseerde bedrijfsmatige exploitatie van een muziekbedrijf'. Deze uitspraak is in 1977 bevestigd in het zogenaamde Tendum-arrest, waarin de Hoge Raad zelfs nog ruimere grenzen aanvaardde. Voor het zijn van een onderneming in de zin van art. 1 Hnw was toen voldoende, 'dat er in georganiseerd verband wordt gewerkt met het oogmerk om materieel voordeel te behalen' . Op grond daarvan kon een aantal creatieve beroepsbeoefenaars (fotograaf, stilist, tekstschrijver, grafisch ontwerper), die gezamenlijk voor theaters raambiljetten, reclameposters e.d. ontwierpen, als 'onderneming' in de zin van art. 1 Hnw worden gekwalificeerd, hoewel er verder géén economische eenheid of juridische structuur aanwezig was (géén vennootschapsakte, geen BV, geen inschrijving in het handelsregister). Men kan zich met deze uitspraak verenigingen, omdat de betrokken personen zelf graag als onderneming werden beschouwd, teneinde zich op de bescherming van de Handelsnaamwet te kunnen beroepen. Toch ging deze uitspraak volgens sommigen te ver, nu zij geen enkele juridische structuur voor het zijn van een 'onderneming' eiste. Velen menen dan ook, dat de Hoge Raad in het Accountants-arrest van 1982 op dit in hun ogen te ruime ondernemingsbegrip is teruggekomen. In dat arrest werd het ondernemingsbegrip aangescherpt tot het zijn van een organisatie, waarin op commerciële wijze en in concurrentie met anderen aan het economisch verkeer wordt deelgenomen, teneinde materieel voordeel te behalen. Dientengevolge zouden losse samenwerkingsverbanden als hierboven bedoeld, voortaan buiten het bereik van de Handelsnaamwet blijven. Het is echter de vraag of dit uit het Accountants-arrest mag worden afgeleid. Het ging hier namelijk om een kwestie inzake de toepassing van de Handelsregisterwet. Over de Handelsnaamwet werd verder niet gesproken. De uitspraak stond dan ook geheel in het teken van de bedoeling die de wetgever met de invoering van de Handelsregisterwet voor ogen stond, te weten het bevorderen van de rechtszekerheid in het economisch verkeer, wat een andere doelstelling is dan die welke door de Handelsnaamwet wordt nagestreefd, zijnde de bescherming van de naam waaronder een onderneming wordt gedreven. De lagere rechter lijkt zich ter bepaling van de reikwijdte van de Handelsnaamwet dan ook niets van het Accountants-arrest aan te trekken. Men zie een uitspraak, waarin werd beslist, dat ook in geval van een salonorkest sprake is 'van een georganiseerd verband, waarbij - hoe ideëel de doelstelling op zich ook moge wezen - het oogmerk om materieel voordeel te behalen, teneinde nieuwe projekten te financieren, aanwezig is, hetgeen duidt op een onderneming als hiervoor bedoeld'. Daarmee lijkt het Tendem-arrest, voor wat de werking van de Handelsnaamwet betreft, nog steeds overeind te staan, zodat wellicht mag worden aangenomen dat de rechter het ondernemingsbegrip van de Handelsnaamwet en van de Handelsregisterwet van elkaar heeft gesplitst door hetzelfde criterium voor beide wetten verschillend - name;ijk voor de Handelsnaamwet minder streng en dus ruimer - uit te leggen.

Wel kan men globaal zeggen dat iedere persoon of personenvennootschap die in het handelsregister moet worden ingeschreven, ook een handelsnaam zal voeren. Deze regel doortrekkend heeft de Handelsnaamwet betekenis voor iedere eenmanszaak, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij en naamloze of besloten vennootschap. Voorzover een vereniging of stichting een onderneming drijft - en om die reden in het handelsregister moet worden ingeschreven -, zal ook zij een handelsnaam bezitten. Die naam is dan evengoed onderworpen aan de regels van de Handelsnaamwet. Niet in het handelsregister behoeven te worden ingeschreven de vrije beroepsbeoefenaars en maatschappen van beroepsbeoefenaars. Zij voeren bijgevolg ook geen handelsnaam, zodat de Handelsnaamwet voor hen geen betekenis heeft. Maar hierboven werd reeds opgemerkt dat dit niet geldt voor de grote kantoren (van advocaten, accountants, computerspecialisten e.d.), die gezien hun organisatiegraad wel degelijk als onderneming de bescherming van de Handelsnaamwet genieten, ofschoon zij niet krachtens de Handelsregisterwet in het handelsregister behoeven te worden ingeschreven. Maar ook kleine kantoren van beroepsbeoefenaars, bestaande uit één of enkele medewerkers, genieten wel enige bescherming, zij het niet op grond van de Handelsnaamwet. Derden die zonder goede reden een soortgelijk beroep onder dezelfde of een daarop sterk lijkende naam uitoefenen, plegen onrechtmatige inbreuk op andermans geslachtsnaam (art. 1:8 BW) of op andermans belangen (art. 6:162 BW) en maken zich schuldig aan ongeoorloofde concurrentie. Daarnaast stelt de beroepsvereniging dikwijls zelf nadere voorwaarden aan de naam die door haar leden in de uitoefening van hun beroep mag worden gevoerd.

Eén onderneming kan meerdere handelsnamen voeren. Zo ziet men wel dat binnen één onderneming (niet te verwarren met één concern met verschillende BV's) meerdere bedrijfsactiviteiten worden ontplooid, die ieder onder een eigen naam worden uitgeoefend. De natuurlijke persoon die eigenaar is van zowel een bakkerij als een speelgoedfabriek, bezit volgens de regels van de Handelsregisterwet één onderneming, met daarin twee bedrijven. Als regel zullen deze bedrijven ieder een eigen naam hebben. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de bakkerij onder de naam 'De Gulden Krakeling' aan het verkeer deelneemt, terwijl de speelgoedfabriek de naam 'Kiddyfun' draagt. Alsdan is sprake van één onderneming, die meerdere handelsnamen voert. Mogelijk is eveneens dat één onderneming voor dezelfde bedrijfsactiviteiten meerdere handelsnamen gebruikt. Eén speelgoedfabriek, dus één bedrijf, kan bijvoorbeeld diverse namen hanteren om verschillende van haar producten aan de man te brengen. Zo is het denkbaar dat zij de handelsnaam 'Kiddyfun' gebruikt als producent van stapelblokken en de handelsnaam 'Joris en Janneke' als producent van poppen. Geoorloofd is zelfs dat zij zich voor hetzelfde product van meerdere handelsnamen bedient. Men denke aan het geval dat de onderneming zich zowel onder de naam 'Kiddyfun' als onder de naam 'Joris en Janneke' als producent van poppen presenteert. Overigens, de naam moet, wil zij nog als handelsnaam kunnen worden beschouwd, wel worden gebruikt ter onderscheiding van de onderneming waarin de waren worden geproduceerd. Gebruikt men de naam uitsluitend ter aanduiding van de producten zelf, dan is er geen sprake van een handelsnaam, maar van een merk. Dit is mogelijk riskant. Voorzover de naam namelijk niet als merk is gedeponeerd, kan de onderneming noch een beroep doen op de bescherming van de Handelsnaamwet, noch op die van de Benelux-Merkenwet. Voor de vraag of een benaming als handelsnaam dan wel als merk wordt gebruikt, zie hierna.


De handelsnaam

Aan de handelsnaam worden weinig eisen gesteld. Hij moet kunnen worden uitgesproken en zowel auditief (met het oor) als visueel (met het oog) waarneembaar zijn. Dit houdt in dat hij tenminste in gangbare letters of cijfers moet kunnen worden gevat. Meestal bestaat de handelsnaam uit een fantasieaanduiding (Becel, Dreft, Hero) of uit een of meer geslachtsnamen (Heineken, Philips, Bang & Olafson). Soms wordt hij gevormd door een afkorting (DAF, IBM, PTT) of enkele cijfers (4711 voor eau de cologne). Ook is het mogelijk om de handelsnaam uit een combinatie van cijfers en letters te vormen (3M voor computerdiskettes, 7-Up voor een frisdrank).

Men is niet zomaar gerechtigd te allen tijde de eigen geslachtsnaam als handelsnaam te gebruiken. Dit kan met name niet wanneer daardoor gevaar voor verwarring met een reeds bekende handelsnaam of een reeds bestaand merk zou ontstaan (zie hierna). Hoewel het niet geheel uitgesloten is om de geslachtsnaam van een ander als handelsnaam voor de eigen onderneming te kiezen, bestaan hiertegen toch meestal onoverkomelijke bezwaren, omdat hierdoor al snel de indruk wordt gewekt dat de onderneming aan een ander toebehoort dan de werkelijke eigenaar, wat - zoals hierna nog zal blijken -  in strijd is met de bepalingen van de Handelsnaamwet. Voor een rechtspersoon geldt nog in het bijzonder dat hij voor deelname aan het rechtsverkeer niet is gebonden aan zijn statutaire naam. Hij is bevoegd om naast zijn statutaire naam een of meer andere handelsnamen te voeren, uiteraard voorzover hij daarmee niet in strijd komt met een reeds door een ander gevoerde statutaire naam, handelsnaam of merknaam. Bij de rechtspersoon die een onderneming drijft, zal de statutaire naam altijd als vanzelf ook als handelsnaam gelden.

Figuratieve elementen maken geen deel uit van de handelsnaam. Zo spelen de schrijfwijze en het gebruikte lettertype geen rol bij de vraag of een aanduiding als een handelsnaam kan worden beschouwd. Evenmin is de kleur van de gebruikte tekens van belang. Voorzover de geschreven handelsnaam vergezeld gaat van beelden, lijnen, cirkels af andere tekens behoren ook deze niet tot de handelsnaam. Dit neemt niet weg dat in dergelijke tekeningen, vignetten en logo's wel handelsnamen verweven kunnen zijn. Die namen kunnen dan op zichzelf weer wel een handelsnaam vormen.

Tekens, vignetten en logo's, waarin helemaal geen letters of cijfers voorkomen, kunnen daarentegen nimmer een handelsnaam in zich dragen. De ster van Mercedes-Benz is een teken dat men wel kan zien, maar niet kan uitspreken of horen. Het is daarom wel een merk (beeldmerk), maar geen handelsnaam (dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de naam Mercedes-Benz zelf). Een herkenningsmelodie (bijv. de STER-tune) is weliswaar auditief waarneembaar, maar kan - als melodie - niet in letters of cijfers worden gevat. Ook zij is om de reden geen handelsnaam.

In het algemeen neemt men aan dat de handelsnaam enig onderscheidend vermogen moet bezitten. Hij moet iets eigens hebben, dat hem van andere namen of aanduidingen onderscheidt, althans dat de onderneming als zodanig een aparte plaats geeft. Dit onderscheidend vermogen is niet zozeer van belang om de aanduiding tot handelsnaam te kunnen bestempelen - in principe kan de onderneming zelf haar eigen handelsnaam kiezen -, maar wel om de gebruiker ervan onder de bescherming van de Handelsnaamwet te brengen. Een handelsnaam die onderscheidend vermogen mist, is zo ruim geformuleerd dat het te ver zou voeren de gebruiker ervan te beschermen tegen derden die eveneens van deze naam gebruikmaken. Onderscheidend vermogen missen bijvoorbeeld handelsnamen die louter bestaan uit een algemene aanduiding ('De Grootste', 'De Beste') of uit enkele beschrijvende woorden ('De Bakkerij', 'Het Garagebedrijf', 'Algemene Transportonderneming', 'Citroën Service'). De mogelijkheid tot identificatie komt bij zulke namen ernstig in het geding, terwijl de handelsnaam nu juist als onderscheidingsmiddel voor de onderneming is bedoeld. De wetgever heeft bovendien niet gewild dat de eerste gebruiker van dergelijke beschrijvende termen voortaan alle andere personen zou kunnen verbieden om deze woorden eveneens in hun handelsnaam (of merk) te voeren. De rechter acht zulke beschrijvende namen dan ook niet beschermwaardig. Hiermee is niet gezegd dat alle beschrijvende namen automatisch de bescherming van de Handelsnaamwet missen. Door iets bijzonders aan een algemene beschrijving toe te voegen krijgt een naam dikwijls iets eigens ('De Bakkerij' voor een café, 'Het Kruidvat' (met een d) voor een drogisterij). Daarbij komt dat het voor de primaire functie van de handelsnaam, te weten als 'middel ter identificatie', niet altijd nodig is om de aanduiding van een aanzienlijke hoeveelheid onderscheidende kracht te voorzien. Bij de handelsnaam vindt men immers ook andere factoren die een identificatiefunctie vervullen, zoals de aard van de onderneming en de plaats van vestiging. Hoewel bijvoorbeeld een handelsnaam als 'De Markt', bijvoorbeeld voor een dorpscafé, zeer beschrijvend is, voldoet hij, gezien de aard van het bedrijf en de vestigingsplaats, wel degelijk aan de eisen die de Handelsnaamwet stelt voor het zijn van een beschermwaardig identificatiemiddel. De eigenaar van het bewuste café kan zich dan ook verzetten tegen eenieder die na hem, mits binnen dezelfde plaats, de naam 'De Markt' voor een soortgelijke horecazaak gaat gebruiken.

Beschrijvende bewoordingen vallen bij merken veel eerder door de mand dan bij handelsnamen. De primaire functie van merken is immers om de onderliggende waren en diensten te onderscheiden van de waren en diensten van anderen, waarbij veel minder gemakkelijk aansluiting kan worden gezocht bij de specifieke aard van de onderneming of diens (beperkte) afzetgebied. Daarenboven stelt de Benelux-Merkenwet ook zelf veel strengere eisen aan een merkteken. Zo komt het dat de volgende benamingen wel als handelsnaam, maar niet als merk zijn aanvaard: 'Amsterdamse Bank'. 'Algemene Bank Nederland', 'Nederlandse Vijlenfabriek', 'Maatschappij Zeeland', 'Het Jagershuis', 'Het Kaasboertje' . Anderzijds moet echter worden opgemerkt dat algemeen beschrijvende termen door het publiek veel sneller worden geassocieerd met een merk, dan met een onderneming. De rechter kan onder die omstandigheden tot het oordeel komen dat de algemene benaming, hoewel hij iedere onderscheidende kracht mist, door inburgering (bijv. door reclame) toch bij het publiek als merk bekend is geworden. Bij handelsnamen komt zoiets nauwelijks voor. Daarom zijn sterk ingeburgerde namen als 'Super' (voor een supermarktketen) en 'Samenwerkende Apothekers' (voor medicijnen), 'Het Beste' (voor een maandblad) wel als merk, maar niet als handelsnaam erkend.


Eisen waaraan een handelsnaam moet voldoen

De eisen waaraan een handelsnaam volgens de Handelsnaamwet moet voldoen, zijn negatief geformuleerd. In principe is iedere handelsnaam geoorloofd, mits deze maar niet in strijd komt met een viertal verbodsbepalingen.

Een handelsnaam mag niet de indruk wekken dat de onderneming aan een ander dan de eigenaar toebehoort (art. 3 Hnw). Een eenmanszaak die toebehoort aan J. Janssen mag derhalve niet de handelsnaam P. Pietersen voeren. Evenmin is het toegestaan om voor die eenmanszaak de naam D. Janssen te gebruiken. Maar heeft J. Janssen de eenmanszaak gekocht van P. Pietersen of overgenomen van zijn vader D. Janssen, dan is hij wel gerechtigd om die naam (P. Pietersen resp. D. Janssen) te blijven voeren.

De handelsnaam mag niet de indruk wekken dat de onderneming in een andere rechtsvorm wordt gedreven dan in werkelijkheid het geval is (art. 4 Hnw). Het is derhalve verboden een handelsnaam te voeren, die in strijd met de waarheid aanduidt, dat de onderneming zou toebehoren aan een of meer personen, handelende als een vennootschap onder een firma, als een commanditaire vennootschap of een rederij, of wel aan een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een onderlinge waarborgmaatschappij, een coöperatie, een vereniging of aan een stichting (art. 3 Hnw). Een eenmanszaak mag derhalve niet in haar handelsnaam woorden bezigen als 'vennootschap', 'v.o.f.', 'stichting' of 'B.V'. Een vennootschap onder firma mag zich door middel van haar vennootschapsnaam niet voordoen als 'besloten vennootschap', maar ook niet als éénmanszaak.
Het is evenmin geoorloofd twee of meer namen te voeren of door bepaalde toevoegingen (& Partners, & Co, Gebr., Fam., v.o.f.) de indruk te wekken dat de onderneming door twee of meer personen wordt gedreven, indien dit in werkelijkheid niet het geval is. Het gebruik van een zodanige handelsnaam suggereert immers dat er sprake is van een vennootschap onder firma. Dit is slechts anders wanneer één der vennoten of een derde de onderneming van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap overneemt en als éénmanszaak voortzet. In dat geval mag hij de bestaande handelsnaam van de vennootschap handhaven voor zijn eenmanszaak (art. 3 lid 3 Hnw). De naam 'Janssen & Co' duidt erop dat er sprake is van ten minste twee eigenaars, dus van een vennootschap onder firma. Iemand die als enige eigenaar is van een eenmanszaak mag daarom een dergelijke handelsnaam niet voor zijn onderneming kiezen. Dit is echter anders als hij de onderneming heeft overgenomen van een vennootschap onder firma die destijds onder de naam 'Jansen & Co' aan het rechtsverkeer deelnam.

Het is verboden een handelsnaam te voeren, die, vóórdat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt (art. 5 Hnw). Dit geldt echter alleen voorzover dientengevolge, in verband met de aard der beide ondernemingen en de plaats, waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is. Wanneer iemand anders reeds de naam 'Philips' hanteert voor een elektronicaconcern, mag men deze handelsnaam niet meer voor een soortgelijk bedrijf gebruiken. Ook een daarop lijkende naam, bijvoorbeeld 'Philipsen Radio's' is niet geoorloofd. Omdat Philips actief is in heel de wereld en onder die naam in heel Nederland bekend staat, doet niet ter zake waar de radiozaak van Philipsen in Nederland is gevestigd. Dus ook als Philipsen' zaak in Groningen ligt, en niet in Eindhoven, mag hij de naam 'Philips' of 'Philipsen' niet aan zijn onderneming verbinden.

De aard van de onderneming kan evenwel meebrengen dat de plaats van vestiging wel van belang is. Vele zaken zijn slechts actief op een plaatselijke of regionale markt. Daarom is er niets op tegen wanneer in Groningen een Chinees restaurant wordt geopend onder de naam 'De Blauwe Lotus', zelfs wanneer onder die naam in Eindhoven al een (Chinees) restaurant wordt gedreven. Er bestaat dan immers niet het gevaar dat er bij het publiek verwarring tussen beide restaurants optreedt. Maar wordt het nieuwe Chinese restaurant onder de naam 'De Blauwe Lotus' eveneens in Eindhoven of het nabij gelegen Veldhoven gevestigd, dan bestaat er wel weer een kans op verwarring. De eigenaar van het nieuwe Chinese restaurant moet dan een andere naam zoeken voor zijn zaak.

Ook de aard van de in de onderneming verhandelde waren of diensten speelt een rol bij de vraag of verwarring is te duchten. Iemand die in Eindhoven een restaurant wil openen onder de naam 'Philipsen' wekt daarmee geen verwarring, omdat zijn waren geen enkele verwantschap vertonen met de elektronische producten van 'Philips' te Eindhoven, mits zijn handelsnaam niet lijkt op de naam van een reeds in Eindhoven gevestigd restaurant.

Het is verboden een handelsnaam te voeren, welke een onjuiste indruk geeft van de onder die naam gedreven onderneming, voor zover dientengevolge misleiding van het publiek te duchten is (art. 5b Hnw). Een bedrijf dat bijvoorbeeld papier verkoopt, mag door het gebruik van een handelsnaam niet de indruk wekken dat het op een geheel ander terrein actief is, zoals wanneer het zich zou presenteren onder de naam 'De Vries Technologies' of 'De Vries Oliehandel'. Die naam kan het publiek misleiden bij de vraag met wat voor soort bedrijf of producten het te maken heeft.

Tenslotte is het verboden om een handelsnaam te voeren, die het merk bevat, waarop een ander ter onderscheiding van zijn fabrieks- of handelswaren of diensten reeds een merkrecht heeft, dan wel een aanduiding, die van zodanig merk slechts in geringe mate afwijkt, voor zover dientengevolge bij het publiek verwarring omtrent de herkomst van de waren te duchten is (art. 5a Hnw). Een merk kan bestaan uit beeltenissen, vormen, kleuren, maar ook uit letters en uit (alleen) een naam. In de verhouding tussen handelsnaam en merknaam trekt de handelsnaam in beginsel aan het kortste eind. De merkhouder kan eisen dat de onderneming die dezelfde of een daarop lijkende handelsnaam voert, dit gebruik staakt en daarnaast eventueel een schadevergoeding vorderen. Dit is slechts anders indien de handelsnaam reeds werd gebruikt vóórdat de merknaam als merk werd geregistreerd én de handelsnaam ook daarna steeds onafgebroken door het bedrijf als zodanig is gebruikt. Onder zulke omstandigheden kan de merkhouder niet verlangen dat het gebruik van de handelsnaam door de ander wordt beëindigd. Maar de gebruiker van de oudere handelsnaam kan niet verlangen dat de merkhouder het gebruik van de jongere merknaam staakt. In zoverre biedt een merknaam dus en sterker recht dan een handelsnaam. De merkhouder kan zich ertegen verzetten wanneer die ander diens handelsnaam tevens als merknaam wil gaan laten registreren. De merkhouder moet dulden dat de ander diens oudere handelsnaam als zodanig blijft gebruiken, maar behoeft niet de aanvaarden dat die ander die handelsnaam als een jongere merknaam laat registreren. Soms doet zich de situatie voor dat een ondernemer een oudere handelsnaam na verloop van tijd als merknaam wil laten inschrijven. Indien een ander nog vóór die inschrijving eenzelfde of soortgelijke handelsnaam voerde, heeft deze in principe een ouder handelsnaamrecht, zodat de ondernemer ook na inschrijving van de merknaam moet dulden dat die ander de oudere handelsnaam blijft voeren. Maar hier kan ondernemer, mits hij de merknaam eerder als handelsnaam gebruikte dan die ander, met een beroep op de Handelsnaamwet alsnog bereiken dat die ander het gebruik van dezelfde of soortgelijke handelsnaam staakt.

Degene die zich verweert tegen een eis van een merkhouder met de stelling dat zijn handelsnaam reeds door hem werd gevoerd vóór registratie van de merknaam, dient dit te bewijzen. In zoverre bewerkstelligt de registratie van een merknaam ook dat de bewijslast op de gebruiker van de handelsnaam komt te liggen.


Ontstaan van een handelsnaam

Iedere persoon die onder een bepaalde aanduiding met zijn onderneming aan het handelsverkeer deelneemt, voert een handelsnaam in de zin van de Handelsnaamwet. Voor het ontstaan van de handelsnaam is dus geen bepaalde formaliteit of inschrijving vereist.Het recht op de naam ontstaat louter door het gebruik ervan, bijvoorbeeld op briefhoofden, deurschilden, reclameborden, vrachtwagens of verpakkingen dan wel in advertenties, prijscouranten, telefoongidsen en dergelijke.

Wel eist de Handelsregisterwet dat een onderneming haar handelsnaam of handelsnamen in het handelsregister inschrijft. Deze inschrijving vormt echter geen constitutief vereiste voor het ontstaan van (het recht op) de handelsnaam zelf. De handelsnaam ontstaat enkel door het feitelijke gebruik ervan. De inschrijving in het handelsregister kan hierop slechts zijdelings invloed uitoefenen, doordat een dergelijke inschrijving van de handelsnaam op zichzelf een bepaald gebruik van die naam impliceert. Beide zaken staan verder los van elkaar. Het is bijvoorbeeld heel goed denkbaar dat de handelsnaam reeds vóór de inschrijving in het handelsregister door de onderneming werd gevoerd en aldus de bescherming van de Handelsnaamwet ondervond. Anderzijds is het niet voldoende om een naam uitsluitend in het handelsregister in te schrijven, maar voor het overige nimmer feitelijk te gebruiken. In dat geval heeft die inschrijving op zichzelf nog niet tot gevolg dat er sprake is van een handelsnaam in de zin van de Handelsnaamwet.

Niet altijd is even duidelijk of een naam nu als handelsnaam of als merk is gebruikt. Gebruik van een naam als handelsnaam zal in beginsel mogen worden aangenomen wanneer de onderneming haar - in het handelsregister ingeschreven - handelsnaam vergezeld doet gaan van haar telefoonnummer, adres, vestigingsplaats, eventueel statutaire naam e.d. (bijv. op briefpapier, in advertenties, op verpakkingen of op aan het product gekleefde stickers). Het verband dat dan tussen de handelsnaam en deze gegevens wordt gelegd, doet uitkomen dat de aanduiding in ieder geval óók ter onderscheiding van de onderneming zelf is bedoeld. Dit wil niet zeggen dat de onderneming dan niet op hetzelfde moment die naam tevens als gedeponeerd merk zou kunnen gebruiken. Wanneer een onderneming het door haar gedeponeerde merk 'Kiddyfun' in kleurige letters en vergezeld van een clown op de verpakking laat drukken, maar daarnaast in kleine letters de naam 'Kiddyfun' plaatst boven het adres en de vestigingsplaats van de onderneming, dan wordt deze naam zowel in de betekenis van woordmerk als van handelsnaam gebruikt. Uiteraard wordt de merknaam alleen door het recht als merk erkend voorzover het als zodanig is ingeschreven in het merkenregister.

Bij dienstverlenende bedrijven kan vaak niet of nauwelijks worden uitgemaakt in welke hoedanigheid de aanduiding is toegepast. Het is hier immers verplicht noch gebruikelijk om de ondernemingsgegevens op het product (zoals bijv. sticker op bananen) of de verpakking te vermelden. Zo'n tastbaar object ontbreekt bij dienstverlening nu eenmaal. Gesteld is daarom wel dat het gebruik van de naam op briefpapier en facturen, al dan niet in combinatie met de overige ondernemingsgegevens, louter als het gebruik van een handelsnaam of - in geval van beroepsactiviteiten - van een beroepsnaam mag worden opgevat. Slechts het gebruik van de naam in logo's, neonreclame, tassen, stropdassen en dergelijke zou dan een gebruik als dienstmerk opleveren. Het is evenwel twijfelachtig of die redenering opgaat. Men dient rekening te houden met de bijzondere aard van het product dat in de dienstverlening ligt besloten. Wil men niettemin zeker zijn dat de handelsnaam tevens als merk wordt erkend, en aldus onder de veel verdergaande bescherming van de Benelux-Merkenwet valt, dan raden wij aan om die naam als dienstmerk bij het Benelux-Merkenbureau te deponeren en hem vervolgens, liefst in bijzondere letters of vergezeld van een kleurrijk logo, op brieven, facturen, deurschilden en neonreclame's te voeren.


Het voeren van een handelsnaam

Het kiezen van een bepaalde aanduiding als handelsnaam en de inschrijving daarvan in het handelsregister is op zichzelf onvoldoende om de bescherming van de Handelsnaamwet te kunnen inroepen. Voor een dergelijke bescherming is tevens vereist dat de handelsnaam gedurende enige tijd door de onderneming in het economisch verkeer als naam is gevoerd (vergelijk de zinsnede: 'waaronder de onderneming wordt gedreven' in art. 1 Hnw). Dit criterium veronderstelt een zekere mate van continuïteit in het gebruik van de naam. Indien slechts incidenteel onder een handelsnaam activiteiten worden ontplooid, kan niet goed van het 'voeren van de naam' worden gesproken.

De onderneming die een handelsnaam enkel in het handelsregister heeft ingeschreven, maar er verder niets mee doet, kan zich niet verzetten tegen een derde die na verloop van tijd (toevalligerwijs) eenzelfde of soortgelijke handelsnaam gaat gebruiken. De bescherming van de Handelsnaamwet is niet voor dergelijke 'dode' of 'onzichtbare' handelsnamen bedoeld.

Daarenboven is een zekere mate van bekendheid van de handelsnaam gewenst. De onderneming zal ten minste dermate vaak onder de bewuste handelsnaam aan het rechtsverkeer hebben moeten deelgenomen dat zij ook bij het publiek of haar klantenkring onder die naam bekend is geraakt. Uit de rechtspraak van de laatste jaren blijkt nochtans dat niet noodzakelijkerwijs steeds aan deze laatste voorwaarde ('bekendheid bij het publiek') behoeft te zijn voldaan. In het Air Holland-arrest kwam bijvoorbeeld de vraag aan de orde of een onderneming, die nog slechts bezig was met het treffen van voorbereidende maatregelen voor de uitoefening van een bedrijf, maar die zich daarbij wel reeds onder een eigen naam presenteerde (bijv. jegens de gemeente, bankiers, toekomstige leveranciers), al een 'handelsnaam' kon voeren in de zin van art. 1 Hnw. De Hoge Raad oordeelde dat de strekking van de Handelsnaamwet, die mede beoogt nabootsing tegen te gaan, zich er niet tegen verzet ook al in deze voorbereidende fase aan de gebruikte naam bescherming te verlenen, zelfs wanneer die naam op dat moment nog niet bekend is bij het publiek waarop de bedrijfsactiviteiten in de toekomst gericht zullen zijn. Met deze uitspraak heeft het recht weer aansluiting gevonden bij de gangbare praktijk, waarin ondernemingen dikwijls reeds voor de eigenlijke start van hun bedrijvigheden als een zelfstandige entiteit vergunningen aanvragen, marktonderzoeken plegen, leningen afsluiten, huurcontracten aangaan, et cetera.


Het voeren van een handelsnaam naast een persoonsnaam, vennootschapsnaam of statutaire naam

Iedere onderneming wordt onder een of meer handelsnamen gedreven. Nu behoort een onderneming steeds aan een natuurlijke persoon, een rechtspersoon of een samenwerkende groep van personen (personenvennootschap) toe. Dezen dragen allen ook een eigen naam, te weten een geslachtsnaam, statutaire naam of vennootschapsnaam. Die persoonsnaam moet goed van de handelsnaam worden onderscheiden. In beginsel zijn beide naamstypen aan verschillende wettelijke regels onderworpen.

De geslachtsnaam van de eigenaar van een eenmanszaak wordt beheerst door de wettelijke regeling van art. 1:4 - 1:9 van het Burgerlijk Wetboek. Dikwijls zal die geslachtsnaam mede (een onderdeel van) de handelsnaam van de eenmanszaak zijn. De heer J.P. De Bruin, die slager is, zal zijn slagerij bijvoorbeeld onder de handelsnaam 'De Bruin' of 'Slagerij De Bruin' kunnen drijven. Die laatste namen zijn dan niet onderworpen aan art. 1:4 - 1:9 BW, maar aan de regels van de Handelsnaamwet, terwijl de geslachtsnaam 'De Bruin' onder de regels van art. 1:4 tot en met 1:9 BW valt. Een onderneming kan eveneens aan een aantal vennoten toebehoren. Zij wordt dan gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap. Bijvoorbeeld: 'Janssen en De Boer Auto's' Op de naam kunnen dan drie verschillende wetten van toepassing zijn.

De gemeenschappelijke vennootschapsnaam van die vennootschap blijkt steeds uit de samenwerkingsovereenkomst die tussen de vennoten is gesloten. Hij mag niet in strijd komen met de regels die het Wetboek van Koophandel hieromtrent stelt (zie art. 20 en 30 WvK). Daarnaast zal de vennootschapsnaam bijna altijd ook de handelsnaam van de onderneming van de vennoten zijn. Die vennootschapsnaam zal dan, tezamen met eventuele andere door de vennootschap gevoerde handelsnamen, uiteraard als zodanig aan de Handelsnaamwet moeten voldoen. Het is goed daar reeds bij het opstellen van de vennootschapsakte rekening mee te houden. Voorzover de vennootschaps- of handelsnaam tevens bestaat uit één of meer geslachtsnamen, zijn daarop ook de regels van art. 1:4 tot en met 1:9 BW van toepassing. Die laatste regels geven in de praktijk echter zelden problemen.

Iedere rechtspersoon beschikt over een eigen officiële naam, welke hem in zijn statuten is gegeven. We noemen deze naam de statutaire naam van de rechtspersoon. De wetgever heeft in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een aantal regels gesteld, waaraan de statutaire naam van een rechtspersoon moet voldoen. Deze komen er kort gezegd op neer dat uit de statutaire naam tenminste de rechtsvorm van de betreffende rechtspersoon moet kunnen worden afgeleid. Zo dient de statutaire naam van een coöperatie het woord 'coöperatie' te bevatten, terwijl in de statutaire naam van een besloten vennootschap tenminste de afkorting 'B.V.' (achter de hoofdnaam) moet zijn opgenomen. Voor de statutaire naam van de naamloze en besloten vennootschap golden in het verleden daarnaast nog enkele bijzondere voorschriften, welke waren samengebracht in de zogenaamde Departementale Richtlijnen 1986. Deze richtlijn is inmiddels ingetrokken.

De Handelsnaamwet is in principe niet op de statutaire naam van een rechtspersoon van toepassing. De oprichter die een statutaire naam kiest, behoeft alleen maar rekening te houden met de regels die Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek hieromtrent geeft. Nu is het zo dat de statutaire naam bij de meeste rechtspersonen, althans voorzover zij een onderneming drijven, tevens dienst doet als handelsnaam van hun onderneming (eventueel naast andere handelsnamen en / of merken). Dikwijls is de statutaire naam zelfs de enige handelsnaam waaronder de onderneming aan het rechtsverkeer deelneemt. Als handelsnaam zal die statutaire naam dan uiteraard wel aan de voorschriften van de Handelsnaamwet gebonden zijn. Dit betekent dat de statutaire naam aan tenminste twee verschillende regelingen is onderworpen.

Soms voert de rechtspersoon náást de statutaire naam nog een of meer afwijkende handelsnamen. Deze namen, die niet als statutaire naam van de rechtspersoon kunnen worden gekwalificeerd, zijn vanzelfsprekend alléén onderworpen aan de voorschriften van de Handelsnaamwet. De voorschriften uit Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gelden daarvoor niet. De rechtsvorm behoeft dan ook niet in deze handelsnamen tot uitdrukking te komen. Wel mogen zulke van de statutaire naam afwijkende handelsnamen geen verkeerd beeld schetsen van de rechtsvorm waarin de door de rechtspersoon gevoerde onderneming wordt gedreven. Zij behoeven dus niet de eigen rechtsvorm te vermelden, maar mogen anderzijds geen andere dan de werkelijke rechtsvorm noemen of het bestaan daarvan suggereren. Dit volgt nu niet uit Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, maar uit art. 4 van de Handelsnaamwet (zie hierna).

De naamloze en besloten vennootschap, de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij, die inderdaad een van de statutaire naam afwijkende handelsnaam voeren, mogen hun statutaire naam trouwens niet geheel verloochenen. Men raadplege de artt. 2:56, 2:75 en 2:186 BW. Uit alle geschriften, gedrukte stukken en aankondigingen, die van deze rechtspersonen uitgaan, - met uitzondering van telegrammen en reclamemateriaal -, moet de statutaire naam van de rechtspersoon duidelijk blijken. Maken zij gebruik van een van de statutaire naam afwijkende handelsnaam, dan zal de statutaire naam dus toch ergens op het briefpapier, bijvoorbeeld in de kleine voorgedrukte lettertjes, vermeld moeten staan.

Het verschil tussen een persoonsnaam en een handelsnaam treedt vooral aan het licht wanneer de persoon of groep van personen aan wie de onderneming toebehoort, een rechtshandeling verricht. Sluit deze persoon of personenvennootschap bijvoorbeeld een overeenkomst (meerzijdige rechtshandeling), dan zal hij / zij dit steeds onder zijn / haar eigen persoonsnaam moeten doen. Zo zal niet de handelsnaam, maar - afhankelijk van de aard van de persoon - de geslachtsnaam, de statutaire naam of de vennootschapsnaam in het contract moet worden vermeld op de plaats waar de bij de overeenkomst betrokken partijen worden omschreven. Wel is het geoorloofd om een eventuele afwijkende handelsnaam aan die persoonsnaam te laten voorafgaan, hetgeen bij grote ondernemingen wel geschiedt om ten behoeve van de interne administratie duidelijk te maken om welk bedrijf of bedrijfsonderdeel het specifiek gaat. Deze toevoeging heeft juridisch echter geen betekenis. Immers, de gehele persoon of groep van personen die onder de persoonsnaam schuilgaat, neemt als partij aan de overeenkomst deel. De onderneming of het betreffende bedrijfsonderdeel vormt op zichzelf geen persoon in de zin van het recht en kan aldus ook niet als zelfstandige contractspartij optreden. Is onverhoopt toch alleen de handelsnaam van de onderneming ingevuld, dan zal men moeten onderzoeken of degene die het contract heeft ondertekend ook bevoegd was de rechthebbende(n) op die onderneming (persoon of groep van personen) als zodanig te vertegenwoordigen. Mocht dat het geval zijn, dan kunnen de redelijkheid en billijkheid meebrengen, dat door de handelsnaam van de onderneming wordt heengekeken, zodat de rechtshandeling toch direct aan die rechthebbende(n) mag worden toegerekend. Wanneer een medewerkster van de bakkerij bij de meelfabriek 10 zakken meel bestelt voor "De Gulden krakeling", zal die (mondelinge) overeenkomst juridisch toch wel aan de eigenaar van de bakkerij moeten worden toegerekend. Hij is partij bij het contract.


Het voeren van een handelsnaam door een buitenlandse onderneming

De werking van de Handelsnaamwet is beperkt tot het Nederlands grondgebied. Zij omvat alle handelsnamen die binnen dit territoir feitelijk worden gevoerd en zij beschermt de rechtmatige gebruikers ervan tegen iedere ongeoorloofde inbreuk door derden. Ook buitenlandse ondernemingen die in Nederland een (buitenlandse) handelsnaam voeren, kunnen zich zodoende op de bescherming van de Handelsnaamwet beroepen. Voorwaarde is wel dat die handelsnaam in Nederland tenminste enige bekendheid geniet, bijvoorbeeld vanwege een advertentiecampagne die hier te lande onlangs werd gehouden of vanwege het feit dat de onderneming sinds lange tijd onder deze naam met Nederlandse afnemers zaken doet (met als gevolg dat haar producten via die weg op de Nederlandse markt terecht zijn gekomen). Overigens eist de Handelsnaamwet niet direct, om bescherming te bieden, dat de buitenlandse onderneming de naam ook echt in Nederland voert. Van belang is slechts of de buitenlandse onderneming geacht kan worden een handelsnaam te voeren (ongeacht of dit nu in Nederland of elders geschiedt), en zo ja, of bij het Nederlandse publiek verwarring te duchten is tussen die buitenlandse naam en de daarop gelijkende naam welke nadien door een Nederlandse ondernemer is geclaimd. Van verwarring kan daarbij reeds sprake zijn wanneer de buitenlandse onderneming door haar producten bij het Nederlandse publiek bekend is geworden. Dit veronderstelt toch dat die naam tengevolge van het voeren van die naam in het buitenland, inmiddels ook in Nederland (bijv. door reclame, de reputatie van producten of toerisme) enige bekendheid moet genieten. Het enkele feit dat de naam in het buitenland bekendheid geniet, zonder dat er verdere enig verband met ons land bestaat, is onvoldoende om zich in Nederland te beroepen op de bescherming van de Handelsnaamwet. Een derde die na verloop van tijd in Nederland (toevalligerwijs) gebruik gaat maken van deze alleen in het buitenland bekende handelsnaam (of merknaam), behoeft daarom niet te vrezen dat de buitenlandse onderneming het voeren van die handelsnaam hier te lande met succes zal kunnen verbieden .

Twijfelachtig is wat er geldt indien een buitenlandse naam in Nederland bekend is geraakt - bijvoorbeeld door een buitenlandse TV-reclame die specifiek op een buitenlands (bijv. Brits of Vlaams) publiek is gericht, maar die ook in Nederland op de kabel is te ontvangen -, zonder dat evenwel in Nederland een daarmee corresponderende onderneming actief is. Mag een derde deze handelsnaam ook dan voor zichzelf claimen? De rechter zal hieromtrent nog uitsluitsel moeten geven. Het lijkt, mede gezien de rechtsopvatting dat een handelsnaam al in de voorbereidingsfase in bescherming kan worden genomen, dat een dergelijke in Nederland bekende naam niet snel door een ander als handelsnaam zal mogen worden gebruikt.

Het spreekt voor zich dat een buitenlandse onderneming in Nederland een handelsnaam kan voeren die in strijd is met een reeds onder de bescherming van de Handelsnaamwet vallende naam van een andere (Nederlandse of buitenlandse) onderneming. De laatstgenoemde onderneming kan dan met een beroep op de Handelsnaamwet het gebruik van die naam door de buitenlandse onderneming in Nederland verbieden.


Karakter van het recht om een handelsnaam te voeren 'handelsnaamrecht')

Degene die bevoegdelijk een eigen handelsnaam voert, heeft in principe een zelfstandig gebruiksrecht op die naam. Hij kan zich verzetten tegen eenieder die - naar de regels van de Handelsnaamwet - inbreuk op zijn recht maakt. Uit die omstandigheid leidt men wel af dat het recht op de handelsnaam een subjectief recht is. Men ziet dit recht dan als een absoluut recht op een immaterieel goed, te weten op een auditief en visueel waarneembare aanduiding, een intellectueel recht dus, dat enigszins vergelijkbaar is met een merk- of octrooirecht. De wetgever heeft bij de invoering van de Handelsnaamwet evenwel duidelijk gemaakt dat het recht op een handelsnaam niet op die manier mag worden uitgelegd. De gebruiker heeft weliswaar een zelfstandig recht op de naam, maar - in tegenstelling tot bijvoorbeeld de merkhouder of de octrooigerechtigde - zeker niet het uitsluitende of exclusieve gebruiksrecht. Zolang bij het publiek geen verwarring is te duchten, is immers niet uitgesloten dat meerdere ondernemers - geheel los van elkaar - door feitelijk gebruik een recht op dezelfde handelsnaam verwerven. De Handelsnaamwet staat ook toe dat zij deze naam vervolgens naast elkaar blijven voeren. Hoeveel Chinese restaurants in Nederland heten bijvoorbeeld niet 'De Blauwe Lotus' of de 'Chinese Muur' en hoeveel cafés heten niet 'De Markt'. Dat zou volgens de wetgever onverenigbaar zijn met het bestaan van een zuiver subjectief recht. Ook lijkt het niet met de status van subjectief recht verenigbaar dat iedere belanghebbende - en dus niet alleen de gebruiker van de handelsnaam - in rechte tegen het ongeoorloofde gebruik van de handelsnaam kan optreden (zie art. 6 Hnw). Uit dit alles volgt dat de wetgever het recht op de handelsnaam niet heeft willen zien als een subjectief recht, maar veeleer als een op zichzelf staand gebruiksrecht, waarvan de inhoud en strekking niet verder reiken dan door de Handelsnaamwet wordt aangegeven. In deze optiek is de Handelsnaamwet slechts een stelsel van bijzondere verbodsbepalingen, bedoeld om inbreuk op andermans handelsnaam te voorkomen, zonder voor de gebruiker evenwel een specifiek subjectief recht op die naam te scheppen. Deze zienswijze heeft echter een aantal onaangename consequenties, met name voor wat de mogelijkheden betreft om het recht op de handelsnaam zelfstandig, dus los van de onderliggende onderneming, over te dragen of te bezwaren. De praktijk lijkt daarvoor echter een oplossing te hebben gevonden. Mede in het licht van dit laatste, lijkt er niets op tegen om het recht op een handelsnaam toch als een subjectief recht te beschouwen, zij het dan wel van een bepaalde soort.


De handelsnaam kan in beginsel niet los van de onderneming worden overgedragen

De handelsnaam is zo nauw verbonden met de onderneming die onder deze naam wordt gedreven, dat hij ingevolge art. 2 Hnw slechts in verbinding met die onderneming aan een ander kan worden overgedragen. Een afzonderlijke overdracht van de handelsnaam, dus los van de onderliggende onderneming, is daarmee uitgesloten. Hier ziet men weer dat de wetgever het recht op de handelsnaam niet als een zelfstandig subjectief recht van de gebruiker heeft willen erkennen. Kenmerkend voor een subjectief recht is immers mede dat de rechthebbende bevoegd is om over zijn subjectieve recht te beschikken door het te vervreemden of te bezwaren of door het in licentie te geven.

Eén onderneming kan meerdere vestigingen hebben, die alle dezelfde handelsnaam voeren. Men denke aan een supermarktketen met winkels verspreid over het hele land. Wanneer binnen die onderneming een nieuwe vestiging wordt geopend, die onder de gemeenschappelijke handelsnaam aan het verkeer gaat deelnemen, is er geen verboden overdracht in de zin van art. 2 Hnw. Dat nieuwe filiaal is, als onderdeel van de onderneming aan wie de handelsnaam toebehoort, gerechtigd de gemeenschappelijke handelsnaam te gaan voeren. Op de vraag wat er geschiedt wanneer de onderneming het gebruik van haar handelsnaam aan een zelfstandige vestiging, dus een bedrijf buiten haar onderneming, overdraagt, wordt hierna nog ingegaan.

Overigens is het omgekeerde van wat in art. 2 Hnw wordt geregeld wel mogelijk. Men kan wel de onderneming als zodanig overdoen, zonder daarbij tevens de handelsnaam over te dragen. Het gebruik van de handelsnaam blijft dan voorbehouden aan de vervreemder van de onderneming, terwijl de verkrijger van de onderneming een nieuwe naam zal moeten verzinnen voor dat wat hij van zijn rechtsvoorganger ontvangt. Het recht op de handelsnaam blijft met andere woorden bij de oorspronkelijke gebruiker 'hangen', die het vervolgens aan een nieuwe onderneming kan vastkoppelen. Deze gang van zaken is meer theorie dan werkelijkheid. In de praktijk zal de verkrijger steeds eisen dat de vervreemder zijn recht op de oude handelsnaam opgeeft.

Soms heeft het voor de vervreemder wel zin de handelsnaam achter te houden, met name als die naam voor de verkrijger geen betekenis meer heeft. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld uit het merkenrecht. In de jaren zeventig bracht een limonadefabrikant onder de merknaam 'Exota' een frisdrank op de markt. Volgens het consumentenprogramma van de VARA, 'De Ombudsman', dat toen nog door de bekende Nederlander Marcel van Dam werd gepresenteerd, waren de flessen van dit merk levensgevaarlijk. Om deze stelling te ondersteunen werd in 'slowmotion' een fles getoond, die uit elkaar spatte als betrof het een explosie. Gevolg van dit alles was dat het merk 'Exota' niet meer werd verkocht en de fabriek de poorten kon sluiten. De rechthebbende op het merk droeg de onderneming over aan een andere limonadefabriek, maar het recht op de handelsnaam en het merk alsmede de rechten op de daaruit voortvloeiende schadevergoedingsvorderingen hield hij achter. De verkrijger had, gezien de belabberde reputatie van het merk 'Exota' ook geen behoefte meer aan een overname van het merk en de handelsnaam. De vervreemder startte vervolgens als rechthebbende op het merk een procedure tegen de VARA, die na twintig jaren leidde tot een veroordeling tot betaling van een schadevergoeding van vele miljoenen guldens.

Behalve door overdracht kan de handelsnaam ook door andere manieren op een ander overgaan. Zo volgt uit art. 2 Hnw dat de handelsnaam tevens vatbaar is voor overgang bij erfopvolging, doch wederom slechts in verbinding met de onderneming die onder die naam wordt gedreven. Gezien de strekking van dit artikel moet hetzelfde worden aangenomen voor andere vormen van overgang van het recht op een handelsnaam, bijvoorbeeld voor de overgang krachtens boedelmenging of boedelverdeling. Een dergelijke overgang is slechts mogelijk wanneer ook de onderliggende onderneming op de nieuwe rechthebbende overgaat.

Door de overdracht van de handelsnaam wordt de verkrijger geacht in al de rechten van zijn rechtsvoorganger te zijn getreden. Dit kan bijvoorbeeld een rol spelen bij de vraag of de verkrijger een ouder recht op de handelsnaam heeft dan een ander (art. 5 Hnw). De verkrijger mag zich in dat geval beroepen op het moment waarop de bewuste handelsnaam bij zijn oorspronkelijke rechtsvoorganger(s) is ontstaan. Sommige menen dat dit laatste niet alleen geldt bij de overdracht van handelsnaam én onderneming, maar ook in andere gevallen van gezamenlijke overgang van de handelsnaam én de onderneming, zoals bij erfopvolging, inbreng in een maatschap, vennootschap onder firma of besloten vennootschap dan wel bij verdeling (toescheiding) na ontbinding van een huwelijksgemeenschap.


De wijze waarop de handelsnaam (zelfstandig) wordt overgedragen

De overdracht van een onderneming wordt als zodanig niet door de Handelsnaamwet beperkt. Iedere ondernemer kan zijn onderneming verkopen en aan een ander overdragen. Hij zal daartoe de bewuste bedrijfsmiddelen aan die ander moeten leveren en voorts gedurende enige tijd zelf af moeten zien van het ontwikkelen van soortgelijke ondernemingsactiviteiten onder de oorspronkelijke handelsnaam. De vraag is nu welke bedrijfsmiddelen tenminste bij de overdracht betrokken moeten zijn om van een overdracht van de 'onderneming' te kunnen spreken. Deze vraag is van belang omdat de handelsnaam ingevolge art. 2 Hnw uitsluitend tezamen met de onderliggende 'onderneming' kan worden overgedragen. In het algemeen wordt binnen dit kader een ruime uitleg aan het begrip 'onderneming' gegeven. Men spreekt reeds van de overdracht van een 'onderneming', wanneer die middelen worden overgedragen, die wezenlijk zijn voor de voortzetting van de bedrijfsvoering, zoals de boekhouding, cliëntèle, organisatie (eventueel machines of goodwill . Is men niet zeker of aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan zijn er andere mogelijkheden (zie hierna).

Het Burgerlijk Wetboek kent geen overdracht van een 'eenheid van goederen'. Anders geformuleerd: een onderneming - die steeds uit verschillende bedrijfsmiddelen bestaat - kan niet als één geheel, dat wil zeggen in één handeling, worden geleverd. Ieder goed dat tot de omschreven onderneming behoort, moet afzonderlijk op de daartoe door de wet voorgeschreven wijze worden geleverd. De levering van de fabriekshal geschiedt derhalve door het opmaken van een transportakte en de inschrijving daarvan in de openbare registers, de levering van de voorraad en inventaris door bezitsverschaffing, de levering van de overgenomen vorderingen door cessie, enzovoorts. Ook de overdacht van een handelsnaam kan alleen via een afzonderlijke leveringshandeling tot stand worden gebracht.

Degene die de onderneming heeft overgenomen, zal niet alleen eisen dat de vervreemder voorlopig geen soortgelijke activiteiten onder de oude handelsnaam start, maar zal als regel ook de overgenomen onderneming onder de oorspronkelijke handelsnaam willen voortzetten. Het ligt immers voor de hand dat hij gebruik wil blijven maken van de naamsbekendheid en de goede reputatie die de onderneming in het verleden bij het publiek heeft opgebouwd. Art. 2 Hnw voorziet, zoals gezegd, in deze mogelijkheid. Wel zal de verkrijger van de onderneming de overdracht van de bijbehorende handelsnaam uitdrukkelijk moeten bedingen. Uit art. 2 Hnw volgt namelijk dat de handelsnaam niet automatisch met de onderneming op de verkrijger overgaat, maar dat hij krachtens een uitdrukkelijk beding door de oorspronkelijke gebruiker (vervreemder) aan die verkrijger kán worden overgedragen. Voor deze overdracht is een afzonderlijke leveringshandeling vereist. Ingevolge art. 3:96 BW bestaat die handeling uit het opmaken van een daartoe bestemde (onderhandse of notariële) akte van levering. Geen betekening van enige soort is verder noodzakelijk om de overdracht te bewerkstelligen, zodat in principe het schriftelijk verkoopcontract als akte van levering kan dienen, mits daarin uiteraard op duidelijke wijze van de overdracht van de handelsnaam gewag wordt gemaakt.

Wanneer verschillende vennoten in de vorm van een vennootschap onder firma één onderneming drijven, zullen zij dat in de regel onder een of meer handelsnamen doen. Zolang de vennootschap blijft bestaan, blijft ook het recht op het gebruik van de handelsnaam tot het gemeenschappelijke vennootschapsvermogen behoren. Wordt de vennootschap ontbonden en wenst één der vennoten de onderneming (of een onderdeel daarvan) zelfstandig voort te zetten, dan is er niets op tegen om het recht op de handelsnaam bij de verdeling aan hem toe te scheiden. Gezien de ruime interpretatie van het begrip 'onderneming' zal hier al snel mogen worden aangenomen dat de handelsnaam tezamen met de onderneming krachtens boedelverdeling op die bewuste vennoot is overgegaan. Zo'n gezamenlijke overgang van handelsnaam en onderneming is ingevolge art. 2 Hnw geoorloofd. De verdeling (toescheiding) van een handelsnaam geschiedt door het opmaken van de hierboven bedoelde akte van levering (ook wel akte van toescheiding of verdelingsakte genoemd). Hebben de vennoten bij de verdeling geen rekening gehouden met het recht op de handelsnaam of kunnen zij hieromtrent geen overeenstemming bereiken, dan zal de redelijkheid en billijkheid uitkomst moeten bieden .

Ingevolge art. 3:6 BW is het recht op de handelsnaam te beschouwen als een 'goed'. Uit art. 2 Hnw jo art. 3:98 BW volgt nu, dat het recht op de handelsnaam vatbaar is voor de vestiging van een pandrecht, mits ook de overige essentiële bedrijfsmiddelen van de onderneming onder een pandrecht van dezelfde pandhouder staan. De vestiging van een pandrecht op een recht op een handelsnaam geschiedt door het opmaken van een (onderhandse of notariële) akte van vestiging (art. 3:95 BW).


Wenselijkheid van vrije overdracht van de handelsnaam en licentieverlening

De handelsnaam is vandaag de dag niet meer uitsluitend een middel ter identificatie van de onderneming, maar heeft ook andere, meer commerciële functies gekregen. Met name in de dienstensector is de handelsnaam steeds meer verworden tot een aanduiding van een goede naam of reputatie of, zo men wil, van een bepaalde kwaliteit. De handelsnaam is dan mede een middel om de activiteiten van de ondernemer van die van anderen te onderscheiden (reclame- en garantiefunctie). Hierdoor heeft de handelsnaam een zelfstandige economische waarde gekregen. Niet uitgesloten is namelijk dat anderen eveneens van dit reclamemiddel gebruik willen maken. Zij willen met de goede reputatie van de handelsnaam 'meeliften', maar hebben geen interesse in de onderneming waarvoor die naam oorspronkelijk was bedoeld. Daarom trachten zij uitsluitend het gebruiksrecht op de handelsnaam te verwerven. Dit kan op twee manieren worden bereikt: ofwel door vrije overdracht, ofwel door het verlenen van een licentie terzake van de handelsnaam.

Van vrije overdracht is sprake wanneer een ondernemer niet zijn onderneming, maar alleen zijn handelsnaam aan een ander overdraagt, bijvoorbeeld omdat hij zijn bedrijfsactiviteiten staakt en geen opvolger voor zijn bedrijf weet te vinden, hoewel zijn naam in de regio toch een goede bekendheid geniet. Als voorbeeld noemen we het geval dat stomerij 'Valentijn' uit Kampen failliet wordt verklaard, waarna het concurrerende bedrijf 'Bosman' uit Zwolle zich op de vrijgekomen markt wil storten. Voor uitbreiding van zijn klantenkring heeft 'Bosman' geen extra wagens of stoommachines nodig, aangezien in zijn onderneming nog enige overcapaciteit aanwezig is. Wel vreest 'Bosman' dat ook andere stomerijen hun hengel in de nieuwe vijver zullen komen uitwerpen. Om zich daarbij enige voorsprong te verschaffen koopt hij de handelsnaam 'Valentijn' uit de failliete boedel op. Voor het overige neemt hij niets over. De overdracht van de handelsnaam die op grond van deze koopovereenkomst plaatsvindt, is dan een vrije overdracht.

Van licentieverlening is sprake wanneer een ondernemer het gebruiksrecht van zijn handelsnaam tegen een bepaalde vergoeding afstaat aan iemand die niet tot zijn onderneming behoort, zonder evenwel het recht op die handelsnaam zelf in goederenrechtelijke zin aan die ander over te doen. Licentieverlening zou men dus kunnen omschrijven als het aangaan van een obligatoire overeenkomst, waaruit voor de licentiegever (rechthebbende op de handelsnaam) een verbintenis voortvloeit om niet in rechte te ageren tegen het gebruik dat door de licentiehouder (degene aan wie hij de licentie is verstrekt) van zijn handelsnaam wordt gemaakt, zolang laatstgenoemde voldoet aan de in de overeenkomst neergelegde voorwaarden en verplichtingen (bijv. betaling royalty's, bepaald gebruik van de naam, etc.). Het in licentie geven van de handelsnaam speelt vooral bij 'franchising' een rol. Bij deze rechtsfiguur heeft een hoofdonderneming (franchisor) een beschermbaar exploitatiesysteem ontwikkeld, dat zij tegen betaling van bepaalde royalty's aan zelfstandige ondernemers (franchisee) ter beschikking stelt. Onderdeel van dit exploitatiesysteem is onder andere het recht om de handelsnaam en het merk van de franchisor te gebruiken, welke gebruiksrechten krachtens een daartoe gesloten licentieovereenkomst aan de franchisee worden verstrekt.

Het meest bekende voorbeeld van franchising is wellicht de hamburgerzaak McDonalds: de eigenaars van de verschillende vestigingen van deze hamburgerketen opereren op eigen risico en dus zelfstandig, zij het volgens de contractueel vastgelegde aanwijzingen en inkoopvoorwaarden van McDonalds. Anderzijds mogen zij van de handelsnaam McDonalds en de bijbehorende merken (McDonalds, BigMac, McNugget) gebruikmaken, waarbij op de onderneming McDonalds de verplichting rust voor voldoende naamsbekendheid, reclame, et cetera zorg te dragen.

Men kan zich afvragen of de vrije overdracht en het in licentie geven van een handelsnaam geoorloofd is. Uit art. 2 Hnw volgt duidelijk dat de Handelsnaamwet de hierboven bedoelde vrije overdracht niet toestaat. Immers, alleen wanneer de handelsnaam tezamen met de onderneming op de ander overgaat, bestaat ingevolge deze bepaling de mogelijkheid de naam te doen overgaan op een ander dan de oorspronkelijke gebruiker. Aan die voorwaarde blijkt bij vrije overdracht nu juist niet te zijn voldaan. Ten aanzien van de licentieverlening van een handelsnaam lopen de meningen uiteen. Art. 2 Hnw verbiedt in beginsel alleen de vrije overgang van de handelsnaam, dat wil zeggen de goederenrechtelijke vervreemding van de naam, los van de onderliggende onderneming. Van een dergelijke overgang is bij het verstrekken van een licentie echter geen sprake, aangezien hier slechts een persoonlijke verbintenis ontstaat, namelijk een verbintenis voor de licentiegever 'om-iets-niet-te-doen'. Wel achten velen licentieverlening in strijd met de bedoeling van de wet, die volgens hen niet voor niets in art. 1 en 2 Hnw zo onmiskenbaar een koppeling tussen de onderliggende onderneming en de handelsnaam maakt. Hoe dit ook zij, in de praktijk komt de vrije overdracht en het in licentie geven van een handelsnaam, ondanks bovengenoemde bezwaren, toch veelvuldig voor. Men kan zich afvragen waarom partijen het aandurven dergelijke met de bedoeling van de wet strijdige rechtshandelingen aan te gaan. Weliswaar ligt het voor de hand dat partijen zélf hun verbintenissen nakomen, maar daarmee ontkomt de licentienemer of verkrijger niet aan de kwade kans dat andere belanghebbenden, zoals de Kamer van Koophandel, tegen het gebruik van de handelsnaam opkomen. Dat partijen hiervoor niet bevreesd hoeven te zijn, komt vooral door het feit dat de Kamer van Koophandel de behoeften van de praktijk heeft erkend. Zij heeft richtlijnen uitgevaardigd, waarin zij verklaart niet tegen de vrije overdracht of het in licentie geven van een handelsnaam te zullen optreden, als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
1. partijen dienen een schriftelijk contract aan de Kamer te laten zien, waarin de vrije overdracht of het in licentie geven van de handelsnaam op duidelijke wijze is geregeld én;
2. de licentiehouder of verkrijger van het recht op de handelsnaam dient een tweede handelsnaam, dat wil zeggen een andere handelsnaam dan die welke zojuist krachtens vrije overdracht of licentieverlening werd verkregen, in het handelsregister in te schrijven.
Is aan beide voorwaarden voldaan, dan behoeft de licentiehouder of verkrijger van het gebruiksrecht op de handelsnaam niet te vrezen dat de Kamer van Koophandel hem bij het voeren van die handelsnaam een strobreed in de weg zal leggen. Uiteraard is hiermee niet uitgesloten dat andere 'belanghebbenden' in de zin van art. 6 Hnw tegen het gebruik van de handelsnaam verzet aantekenen. Voor deze personen geldt echter dat zij veelal niet weten of het gebruiksrecht door eigen gebruik dan wel krachtens vrije overdracht of licentie is verkregen. Bovendien zal hun verzet weinig zin hebben wanneer het gebruik van de betreffende handelsnaam op zichzelf geoorloofd is. Slagen zij er in de vrije overdracht of licentieverlening te dwarsbomen, dan betekent dit immers niet dat de handelsnaam als zodanig daardoor is komen te vervallen. De oorspronkelijke rechthebbende blijft bevoegd die naam te gebruiken. Tenslotte is het gezien de recente wijzigingen in de rechtspraak ook lang niet zeker of een vrije overdracht of het in licentie geven van een handelsnaam nog wel tot de verboden rechtshandelingen behoort. Onder die omstandigheden zullen weinig 'derden' de neiging vertonen een kostbare en vaak langdurige rechtsprocedure tegen de licentiehouder of verkrijger van de handelsnaam aan te spannen.


Recente opvattingen over de vrije overdracht en het in licentie geven van handelsnamen

Mede gezien de bovenstaande ontwikkelingen is het thans onduidelijk of het verbod tot vrije overdracht of het in licentie geven van het recht op de handelsnaam, zoals aanvankelijk door de wetgever in art. 2 Hnw verwoord, nog wel onverkort van toepassing is. De een meent dat zo langzamerhand nieuw gewoonterecht is ontstaan. Dit gewoonterecht zou de oude verbodsbepaling inmiddels hebben achterhaald en aldus terzijde stellen, wat met een verwijzing naar het arrest HR 3 maart 1972, NJ 1972, 339 ('La Confiance-Maring') voor mogelijk moet worden gehouden. De ander vindt dat de wetgever ondertussen zelf op dit verbod is teruggekomen door de vrije overgang en licentie van het met de handelsnaam te vergelijken dienstmerk wel uitdrukkelijk toe te staan (art. 11 jo. art 39 BMW, welk artikel op 1 januari 1987 in werking is getreden). Hoe dit ook zij, in de rechtspraak is de vrije overdracht en het in licentie geven van de handelsnaam reeds vele malen, zij het op verschillende gronden, erkend . Zodoende mag worden aangenomen dat tegen dergelijke transacties thans geen bezwaren meer bestaan, zeker voorzover het de licentieverlening betreft. Wel raden wij aan om bij iedere overdracht of het in licentie geven van een handelsnaam, ook wanneer dit in het kader van een franchiseovereenkomst geschiedt, de eerder vermelde richtlijnen van de Kamer van Koophandel in acht te nemen.


Gebruik van andermans handelsnaam door een agent of alleenverkoper

Soms ziet men wel dat aan een agent of alleenverkoper het recht wordt toegekend om bij de uitoefening van zijn bedrijf een of meer handelsnamen van zijn leveranciers (of opdrachtgevers) te gebruiken. Men denke aan het geval dat de agent of alleenverkoper bevoegd is om in mailings, reclamefolders, op beurzen of congressen dan wel bij de verkoop of levering van producten - dus bij het drijven van zijn eigen onderneming - de handelsnaam te voeren van degene wiens producten hij (mede) verhandelt. Een dergelijk gebruik van andermans handelsnaam is zonder de toestemming van de rechthebbende daarop in principe verboden. De vraag is nu of de rechthebbende op een handelsnaam toestemming kan geven aan de agent of alleenverkoper om zijn handelsnaam bij het drijven van diens eigen onderneming te gebruiken en, zo ja, wat daarvan de gevolgen zijn voor het geval de rechthebbende op de handelsnaam zelf in Nederland nog geen onderneming drijft.

Als voorbeeld van het recht van een agent of alleenverkoper om andermans handelsnaam te gebruiken, noemen we het volgende geval. De Duitse speelgoedfabriek 'Hans Lorenz' produceert onder verschillende merknamen (waaronder 'Kiddyfun', 'Joachim & Mika' en 'Die Drei Knaben') diverse soorten speelgoed. Hij verkoopt deze producten door aan zijn filiaal in Rotterdam, dat ook de handelsnaam 'Hans Lorenz' draagt. De naam 'Hans Lorenz' is dientengevolge in Nederland een beschermde handelsnaam van deze Duitse onderneming. Het Rotterdamse filiaal verkoopt de speelgoedartikelen vervolgens door aan Nederlandse afnemers, die de genoemde merkartikelen hier aan warenhuizen verhandelen. Om het zuiden van Nederland beter van producten te kunnen voorzien, staat de Duitse fabrikant op een gegeven moment toe dat één van de Nederlandse afnemers, de firma 'Dorhout' uit Helmond, de merkartikelen rechtstreeks uit Duitsland importeert en bij de verhandeling daarvan voortaan de naam 'Hans Lorenz' voert, maar alleen voorzover het de verkoop van de merkartikelen 'Kiddyfun', 'Joachim & Mika' en 'Die Drei Knaben' betreft. Hoewel een bepaalde afdeling van de firma 'Dorhout' geheel onder de naam 'Hans Lorenz' opereert, onderhoudt deze onderneming voor het overige geen bijzondere contacten met de speelgoedfabrikant 'Hans Lorenz' uit Duitsland of met het gelijknamige filiaal te Rotterdam. 'Hans Lorenz Helmond' is met andere woorden een zelfstandige onderneming. In die omstandigheden kan men zich afvragen of 'Hans Lorenz Duitsland' wel bevoegd is het gebruik van zijn handelsnaam aan de agent 'Dorhout' toe te kennen en zo ja, wie daarop dan de rechthebbende is geworden.

Voordat deze vraag wordt beantwoorden, moet eerst duidelijk worden gemaakt dat het hierboven bedoelde recht van de agent of alleenverkoper om andermans handelsnaam te gebruiken niet moet worden verward met het recht van die agent of alleenverkoper om in naam van die ander rechtshandelingen te verrichten. In het laatste geval is de agent of alleenverkoper bevoegd de achterman te vertegenwoordigen, bijvoorbeeld door onder diens persoonsnaam en voor diens rekening en risico's verkoopcontracten af te sluiten. Het recht om andermans handelsnaam te voeren impliceert deze bevoegdheid niet. Beide rechten zijn dan ook verschillend, hoewel zij uiteraard naast elkaar kunnen voorkomen.

In het eerder gegeven voorbeeld mag 'Dorhout' geen verkoopcontracten of andere overeenkomsten namens 'Hans Lorenz Duitsland' aangaan, bijvoorbeeld met de overige afnemers in Nederland. Een dergelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit hij niet. Dorhout is slechts bevoegd om bij de verkoop van de merkartikelen 'Kiddyfun', 'Joachim & Mika' en 'Die Drei Knaben' de naam 'Hans Lorenz' voor zijn bedrijf te voeren. Eventuele koopovereenkomsten die hij daarbij met afnemers sluit, zal hij echter voor zichzelf en onder zijn eigen persoonsnaam moeten aangeaan. 'Hans Lorenz Duitsland' staat daar verder buiten.

Ook moet het hierboven bedoelde recht niet worden verward met de bevoegdheid van de agent of alleenverkoper om de van zijn leverancier ontvangen producten verder onder de merknaam van die leverancier te verhandelen. Heeft een merkhouder zijn waren eenmaal op rechtsgeldige wijze in het verkeer gebracht, dan is daarna een ieder bevoegd die producten onder datzelfde merkteken door te verkopen.

Stel dat 'Dorhout' niet het recht had gekregen om de naam 'Hans Lorenz' te voeren, maar wel om de door die fabrikant geproduceerde merkartikelen 'Kiddyfun', 'Joachim & Mika' en 'Die Drei Knaben' rechtstreeks uit Duitsland te importeren. Alsdan was Dorhout niet bevoegd geweest de naam 'Hans Lorenz' bij de verhandeling van deze producten te gebruiken, althans niet als eigen ondernemingsnaam. Uiteraard mocht hij wel gebruik maken van de merknamen 'Kiddyfun', 'Joachim & Mika' en 'Die Drei Knaben', die als zodanig op de te verhandelen producten zelf betrekking hebben. Dat zou hij trouwens ook gemogen hebben als hij de producten niet zelf had geïmporteerd, maar uit handen van het Rotterdamse filiaal had ontvangen. In beide gevallen heeft de merkhouder 'Hans Lorenz Duitsland' de waren immers zelf op rechtmatige wijze in het verkeer gebracht, met als gevolg dat anderen deze merknamen voor dié waren mogen blijven gebruiken. In tegenstelling tot een merk dient een handelsnaam niet ter onderscheiding van waren of diensten, maar ter onderscheiding van een onderneming, zodat laatstgenoemde regel in het handelsnaamrecht geen opgang vindt.

Thans de beantwoording van de eerder gestelde vraag. Mag de rechthebbende op een handelsnaam aan een agent of alleenverkoper toestemming geven zijn handelsnaam bij het drijven van diens eigen onderneming te gebruiken, wanneer voor het overige geen sprake is van de overdracht van enige ondernemingsactiviteiten? Gezien hetgeen eerder omtrent de vrije overdracht en het in licentie geven van handelsnamen is opgemerkt, moet het niet moeilijk zijn het juiste antwoord te vinden. Ook de hier bedoelde toestemming kan men zien als een verbintenis om niet te doen, namelijk als een verbintenis rustende op de leverancier (rechthebbende op de handelsnaam) om niet te ageren tegen het gebruik dat de agent of alleenverkoper van zijn handelsnaam maakt. In het verlengde daarvan neemt men aan dat partijen eveneens kunnen afspreken dat dit gebruiksrecht weer eindigt, zodra de hoofdovereenkomst tussen de leverancier en de agent of alleenverkoper door tijdsverloop of opzegging eindigt. Uit deze overeenkomst vloeit voor de agent of alleenverkoper immers evengoed een verbintenis voort, namelijk om na het beëindigen van de hoofdovereenkomst geen gebruik meer van de handelsnaam van de leverancier te maken, op overtreding waarvan wederom een dwangsom of boete kan zijn gesteld.

Treedt de agent als alleenverkoper op, bijvoorbeeld van een buitenlandse leverancier die hier reeds onder de gevoerde handelsnaam bekendheid genoot, dan kunnen partijen eveneens afspreken dat die leverancier een ander gedurende de looptijd van hun contract niet de bevoegdheid mag verlenen om een of meer handelsnamen van de leverancier te voeren. Zo'n afspraak kan ook impliciet in de overeenkomst tot alleenverkoop of alleenvertegenwoordiging besloten liggen.

Tot nu toe werd ervan uitgegaan dat de agent of alleenverkoper gebruik mocht maken van een handelsnaam van de leverancier, welke naam ten tijde van het sluiten van de hoofdovereenkomst reeds in Nederland als handelsnaam bekend was. Mogelijk is ook dat de agent een handelsnaam van een (buitenlandse) leverancier gebruikt, die hier te lande nog niet werd gevoerd of ten aanzien waarvan nog geen beschermwaardige bekendheid bestond. Door als enige hier te lande de handelsnaam van die leverancier te gaan gebruiken, zal de agent, althans in Nederland, voor zijn eigen onderneming een eigen handelsnaam opbouwen. Hij is immers degene die hier te lande voor zijn onderneming een handelsnaam introduceert, die verder nog door niemand wordt gevoerd. Betekent dit nu dat de agent daarom op grond van dit 'eerste gebruik' de rechthebbende op deze handelsnaam is geworden en dat diens leverancier de rechten op deze handelsnaam daardoor heeft verspeeld? Gezien de rechtspraak die omtrent dit onderwerp is gevoerd, kan men in het algemeen stellen dat, indien de agent een reeds in het buitenland gevoerde handelsnaam in ons land introduceert, hij na afloop van de hoofdovereenkomst met de leverancier geen zelfstandig recht op die handelsnaam heeft verkregen. Was de leverancier ten tijde van het sluiten van het hoofdcontract of het starten van de onderneming van de agent ook zelf niet tot de handelsnaam gerechtigd - noch in het buitenland, noch in Nederland - dan lijkt de wijzer eerder ten gunste van de agent door te slaan, in die zin dat deze als eerste gebruiker van de handelsnaam nu wel de bescherming geniet tegen ieder onheus gebruik van die naam dat door de leverancier of een ander wordt gemaakt. Men zij met het trekken van dergelijke conclusies echter voorzichtig. Over de problematiek die hier aan de orde is, bestaat geen eenduidige mening. In alle gevallen waarin een (binnenlandse of buitenlandse) leverancier toestaat dat een agent zijn handelsnaam of een daarop gelijkende benaming introduceert of gaat gebruiken, doet hij er verstandig aan de bevoegdheden met betrekking tot die naam (met name voor wat de beëindiging van hun contractuele verhouding betreft) zo duidelijk mogelijk te regelen. In het slechtste geval heeft hij weliswaar niet krachtens de Handelsnaamwet het alleenrecht verkregen om de handelsnaam te voeren, maar kan hij de agent wel uit wanprestatie aansprakelijk stellen wegens het niet-nakomen van zijn verbintenis om niet te doen, ook al staat dit wellicht in sommige opzichten op gespannen voet met (de historische interpretatie) van art. 2 Hnw.