Octrooien ('patent')


Verkrijging van een octrooi op een nieuwe technische vinding ('uitvinding')

Degene die een uitvinding doet, kan daarop een octrooi (of 'patent') aanvragen. Wordt het octrooi verleend, dan heeft de 'uitvinder' een absoluut en uitsluitend recht op de uitvinding. Hij mag als enige de uitvinding gebruiken en exploiteren en kan tegen eenieder die inbreuk maakt op zijn octrooi, bijvoorbeeld door de uitvinding eveneens geheel of gedeeltelijk te gebruiken of te verwerken, in rechte optreden.

Op grond van het octrooi is de octrooihouder gedurende twintig jaar gerechtigd om iedereen te verbieden de geoctrooieerde uitvinding toe te passen. Vaak is de uitvinding opgebouwd uit één of meer onderdelen waarop ook zelfstandig een octrooi rust. Is het octrooi op zijn bestanddeel in handen van een ander, dan heeft de octrooihouder uiteraard de toestemming (licentie) van die ander nodig om diens vinding in zijn eigen uitvinding toe te passen. Op grond van de onderlinge afspraken tussen de uitvinder en de ander moet worden uitgemaakt in hoeverre de octrooihouder van de hoofdvinding kan verlangen dat de octrooihouder van de deelvinding bevoegd is die deelvinding ook aan derden in licentie te geven of aan derden over te dragen. In beginsel heeft de octrooihouder op de hoofdvinding hierover zelf niets te zeggen, tenzij hij zulks uitdrukkelijk heeft bedongen.

In Nederland worden octrooiaanvragen getoetst aan de hand van de Rijksoctrooiwet 1995. In de onderhavige toelichting zal bij de diverse onderwerpen steeds worden verwezen naar de relevante bepalingen uit deze wet. Daarnaast gelden er ook diverse verdragen die enkele internationale aspecten van een octrooiaanvraag regelen.


Wie kan een octrooi verkrijgen ('octrooihouder')?

Degene die de nieuwe technische vinding zelf heeft gedaan ('uitvinder'), kan daarop een octrooi aanvragen. De eerste aanvrager wordt in beginsel ook als uitvinder aangemerkt (art. 8 ROW). Voorwaarde is wel dat zijn uitvinding niet ontleend is aan iets dat al door een ander vervaardigd of toegepast werd of aan beschrijvingen, tekeningen of modellen van een ander (art. 11 WOR).

Vaak vindt een werknemer iets uit in de uitoefening van zijn functie, in die zin dat hem specifiek de opdracht was gegeven om onderzoek naar een dergelijke nieuwe technische vinding te doen. Alsdan is zijn werkgever gerechtigd om octrooi op de uitvinding aan te vragen (art. 12 ROW). Tussen het werk en de uitvinding moet wel een direct verband bestaan. Wanneer de nachtwaker van een elektrotechnisch bedrijf thuis of in de avonduren op het werk een nieuwe technische vinding bedenkt, zal zijn werkgever daarop in beginsel geen octrooi kunnen aanvragen. De functie is immers helemaal niet gericht om onderzoek te doen naar een dergelijke nieuwe vinding. Maar wanneer een ingenieur op de afdeling onderzoek en ontwikkeling van dat bedrijf dezelfde uitvinding doet, kan niet hij (ingenieur), maar diens werkgever (elektrotechnisch bedrijf) een verzoek tot verkrijging van een octrooi indienen. Wel is de werkgever verplicht om de werknemer in zo'n geval naar behoren te compenseren, tenzij zo'n mogelijke compensatie al in diens salaris is verdisconteerd. Ook heeft de werknemer in dat geval het recht om als de uitvinder te worden vermeld (art. 14 ROW)

Indien twee personen afzonderlijk van elkaar een (overeenkomstige) uitvinding doen en daarvoor ieder zelfstandig octrooi aanvragen, krijgt alleen degene die als eerste de aanvraag heeft ingediend daarop een octrooi, ook als hij in werkelijkheid de uitvinding later heeft gedaan dan de andere aanvrager. Maar als twee personen gezamenlijk naar aanleiding van een onderlinge afspraak een uitvinding hebben gedaan, hebben zij gezamenlijk aanspraak op een octrooi op die uitvinding (art. 13 ROW).


Waarop kan een octrooi worden verkregen?

Ter verkrijging van een octrooi dient een daartoe strekkende aanvraag te worden ingediend bij de octrooiraad die bevoegd is octrooi te verlenen voor het gebied waarvoor men een octrooirecht wenst te verkrijgen (zie hierna). Octrooi kan worden verkregen voor technische uitvindingen, dat wil zeggen apparaten en inrichtingen en technische werkwijzen voor het maken van producten (bijv. machine, motor, speciaal soort telefoon, televisie, CD-schijfje), alsmede op nieuwe chemische stoffen en nieuwe medicijnen (art. 2 ROW). Niet octrooieerbaar zijn uitvindingen die in strijd zijn met de openbare orde of goede zeden en nieuwe planten- of dierenrassen en de biologische werkwijzen om deze nieuwe rassen te kweken (art. 3 ROW). Niet vatbaar voor octrooi zijn tevens zogenaamde mentale uitvindingen, zoals een nieuwe medische behandelwijze (niet zijnde een nieuw medicijn), een nieuw spel of een nieuwe werkwijze om de waarde van een aandelenportefeuille te berekenen of een productieproces beter te laten verlopen.

Aan de hand van een drietal criteria moet worden bepaald of een uitvinding in aanmerking komt voor octrooiverlening.

In de eerste plaats moet de technische uitvinding nieuw zijn (art. 4 ROW). Dat wil zeggen: de uitvinding mag vóór de datum waarop de octrooiaanvraag werd ingediend niet reeds voor het publiek beschikbaar zijn geweest of reeds zijn beschreven in enige publicatie. Of de uitvinding nieuw is, moet worden beoordeeld aan de hand van de omschrijving in de octrooiaanvraag in vergelijking met de omschrijving van eerdere octrooien of reeds in de praktijk bekende technische toepassingen. Daarbij spelen alle factoren een rol. Zoals gezegd is dit vooral een technische aangelegenheid, waarbij de hulp van gespecialiseerde octrooibureaus vaak onontbeerlijk is. Indien de aanvrager of diens rechtsvoorganger zelf de uitvinding in de eerste zes maanden voorafgaande aan het indienen van zijn octrooiaanvraag heeft gepubliceerd of openbaargemaakt, doet dit géén afbreuk aan het nieuwheidsvereiste (art. 5 ROW).

In de tweede plaats moet de uitvinding inventief zijn. Dat is het geval wanneer zij een oplossing biedt voor een probleem in de techniek, welke oplossing niet voor de vakman voor de hand lag (art. 6 ROW). Ook hier oordeelt de octrooiraad aan de hand van alle relevante omstandigheden of de uitvinding, die misschien weliswaar nieuw is, voor een vakman zo voor de hand lag dat er niet van een inventieve bijdrage kan worden gesproken.

In de derde plaats moet de uitvinding industrieel toepasbaar zijn (art. 7 ROW). Met behulp van dit vereiste kan een onderscheid worden gemaakt tussen esthetische en wetenschappelijke uitvindingen. De term "industrie" wordt ruim opgevat en behelst bijvoorbeeld ook de landbouw. Werkwijzen voor medische of therapeutische behandeling van het menselijk of dierlijk lichaam, zoals een bijzonder dieet, een bepaalde lichamelijke oefening of een chirurgische ingreep, vallen er echter buiten en komen niet voor een octrooi in aanmerking.

Software (computerprogramma's) zijn in het Europees Octrooiverdrag (EOV) uitdrukkelijk als voorwerp van een octrooi uitgesloten. De landen die lid zijn van het EOV hebben deze beperking opgenomen in hun nationale octrooiwetgeving. Om toch octrooi te kunnen verkrijgen, ging men ertoe over om de software in te kapselen in een meer omvattend hardwaresysteem. Het Europees Octrooibureau heeft zich daarom na verloop van tijd op het standpunt gesteld dat deze gekunstelde weg niet behoeft te worden bewandeld en dat ook rechtstreeks op software octrooi kan worden verleend. Hoewel het EOV expliciet octrooi verbiedt op computerprogramma 's als zodanig, is het thans dus toch mogelijk om octrooi te krijgen op uitvindingen die grotendeels bestaan uit software, mits daarbij bepaalde regels in acht worden genomen. Overigens valt software wél onder de bescherming van het auteursrecht.

Ook op bepaalde werkwijzen voor het zakendoen, hoe nieuw en inventief ook (bijv. bijzondere opstelling van lopende banden, supermarkt, self service), kan geen octrooi worden verleend. Dergelijke werkwijzen zijn in het Europees Octrooiverdrag uitdrukkelijk van octrooi uitgesloten. In september 2000 verklaarde het Europees Octrooibureau (EOB) nogmaals uitdrukkelijk dat octrooien alleen kunnen worden verleend op uitvindingen in een technische vakgebied, waartoe niet behoren bepaalde werkwijzen voor zakendoen. Ook door de werkwijze van zakendoen in te kapselen in een bepaald technisch systeem, is het in beginsel niet mogelijk op die werkwijze octrooi te verkrijgen. Een werkwijze voor het zakendoen, waarbij op een voor de hand liggende manier gebruik wordt gemaakt van bekende technische maatregelen, bewerkstelligt namelijk op zich nog niet dat er sprake is van een uitvinding die voor octrooiverlening in aanmerking komt. Ook zo'n technisch normaal ondersteunde werkwijze behoort tot de niet octrooieerbare werkwijzen voor het zakendoen. Een computersysteem (bestaande uit bepaalde hardware) dat specifiek gericht is op het verrichten van een bepaalde wijze van zakendoen en daar technisch op is aangepast, komt in beginsel dus niet voor octrooi in aanmerking, ook niet als daardoor economische problemen worden opgelost of verbeteringen in een zakelijk vakgebied worden gerealiseerd. Alleen wanneer in het computersysteem bepaalde hardware aanwezig is, die een bepaald technisch probleem op een niet voor de hand liggende wijze oplost, teneinde op die manier uitvoering te kunnen geven aan de bijzondere wijze van zaken doen, komt dit systeem als zodanig voor een octrooi in aanmerking, waarmee als het ware automatisch ook de bijzondere wijze van zakendoen in het octrooi is belichaamd.

In de Verenigde Staten zijn overigens veel meer nieuwe vindingen en werkwijze octrooieerbaar. Een Amerikaans octrooi kan worden verleend voor alles wat door de mens gemaakt wordt en dat een nuttig, concreet en tastbaar resultaat oplevert, mits het niet beperkt is tot uitsluitend een abstract idee. Onder deze definitie vallen ook computerprogramma 's en werkwijzen voor het zakendoen. Op die manier werd door de Amerikaanse rechtbank beslist dat er ook een octrooi kon worden verkregen op een werkwijze om een aandelenportefeuille te beheren, omdat de werkwijze een nuttig, concreet en tastbaar resultaat (namelijk de geldswaarde van de aandelenportefeuille) opleverde (State Straat Bank-zaak).


Hoe kan men een Nederlands octrooi verkrijgen

Een octrooi verkrijgt men niet zomaar door als eerste de uitvinding te publiceren of in de praktijk toe te passen. Vereist is dat de uitvinding wordt aangemeld bij een nationale of internationale octrooiraad die door de overheid (of verdragsstaten) bevoegd is verklaard om binnen een bepaald territoir octrooi te verlenen. De uitvinder dient met andere woorden een octrooiaanvraag bij die octrooiraad in te dienen. In Nederland is het Bureau voor Industriële Eigendom aangewezen als octrooiraad (§ 2.1 ROW). Het Bureau houdt een octrooiregister waarin alle erkende octrooien zijn ingeschreven (art. 19 lid 1 ROW). Het publiceert tevens alle nieuw ingeschreven octrooien in een speciaal daarvoor bestemd blad (art. 20 ROW). In het octrooiregister worden ook alle octrooiaanvragen ingeschreven (art. 21 ROW). Het octrooiregister is voor eenieder kosteloos toegankelijk (art. 19 ROW).

De Rijksoctrooiwet vermeldt nauwkeurig wat er in een octrooiaanvraag moet zijn opgenomen (art. 24 ROW) en op welke wijze de uitvinding daarin moet worden omschreven (art. 25 ROW). Een octrooiaanvraag kan slechts worden gedaan voor één uitvinding of voor een groep uitvindingen die onderling op dezelfde uitvindingsgedachte gegrond zijn (art. 27 ROW). De ingediende octrooiaanvraag kan in de loop van de aanvraagprocedure worden gesplitst in twee aanvragen voor twee uitvindingen alsook - binnen bepaalde marges - naar inhoud en toepassingsgebied worden aangepast en verruimd (art. 28 en art. 30 lid 2 ROW)

De datum van indiening van de octrooiaanvraag (art. 29 ROW) is van belang ter beoordeling van de stand der techniek (nieuwheidsvereiste) alsook voor de rangorde van het octrooi. Degene die het eerst de aanvraag heeft ingediend (en dus niet het eerste een octrooi heeft verworven), verkrijgt in principe als eerste daarop het (enige) octrooirecht. Rekening dient evenwel te worden gehouden met het zogenaamde prioriteitsrecht, zoals geregeld in het Unieverdrag van Parijs (1883). Degene die een octrooiaanvraag indient in een land dat lid is van het Unieverdrag of de Wereldhandelsorganisatie, kan binnen één jaar in andere lidstaten voor dezelfde uitvinding een octrooiaanvraag indienen, waarbij de datum van de eerste aanvraag in het ene land tevens geldt als datum van eerste aanvraag voor de andere lidstaten, ofschoon de octrooiaanvraag in die landen feitelijk later werd ingediend (zij het wel binnen één jaar na de eerste octrooiaanvraag) (art. 9 ROW). Op die manier heeft degene die in één van de verdragsstaten een octrooi aanvraagt, één jaar de tijd om te beslissen in welke andere lidstaten hij voor dezelfde uitvinding eveneens octrooi wil aanvragen en om de voor die lidstaten noodzakelijke handelingen (zoals vertaling van de aanvraag in die taal) te verrichten. In alle lidstaten geldt de datum van eerste aanvraag als ijkpunt ter beoordeling of de uitvinding nieuw is en voldoet aan de voor iedere lidstaat zelf geldende nationale criteria (art. 10 ROW).

De octrooiaanvraag (en dus niet het octrooi) wordt 18 maanden na indiening of zoveel eerder als de aanvrager dit wenst door het Bureau ingeschreven in het octrooiregister (art. 31 ROW). De aanvrager kan het Bureau binnen dertien maanden na indiening van de octrooiaanvraag verzoeken om, voorafgaande aan de verlening van het octrooi, eerst een onderzoek in te stellen naar de stand van de techniek met betrekking tot het onderwerp van de octrooiaanvraag (art. 32 ROW). Dit is raadzaam om te voorkomen dat het Bureau overgaat tot een kostbare inschrijving die nadien door een andere belanghebbende zal worden vernietigd of opgeëist. Bovendien heeft een octrooi, dat niet vooraf is gegaan door een onderzoek naar de stand der techniek, slechts een geldingsduur van 6 jaar (art. 33 ROW).

Op verzoek van de aanvrager onderzoekt het Bureau eerst nauwgezet of het bij de aanvraag gaat om een uitvinding waarop octrooi zou kunnen worden verleend alsook of er niet reeds een andere overeenkomstige uitvinding bestaat waarop reeds een octrooi is toegekend. Het moet immers om een nieuwe uitvinding gaan. Om die vraag te kunnen beantwoorden vindt er een uitgebreid literatuuronderzoek plaats om na te gaan welke uitvindingen reeds bekend zijn op het moment van indiening van de octrooiaanvraag (art. 34 ROW). Is de octrooiaanvraag te onduidelijk om een onderzoek naar de stand der techniek uit te voeren, dan deelt het Bureau dit mede aan de aanvrager, die de gelegenheid krijgt om zijn aanvraag hierop aan te passen (art. 35 ROW). Blijkt uit het onderzoek naar de stand der techniek dat het om een nieuwe uitvinding gaat, dan wordt de octrooiaanvraag tezamen met de resultaten van dit onderzoek in het octrooiregister ingeschreven en is het octrooi verleend. Dit octrooirecht heeft een geldingsduur van twintig jaar (art. 36 ROW).

In ieder geval 18 maanden na indiening van de octrooiaanvraag, nog tijdens het onderzoek door het Bureau , wordt door middel van publicatie van de uitvinding in het daartoe uitgegeven blad van het Bureau openbaargemaakt dat een persoon daarop een octrooi tracht te verkrijgen en daartoe een aanvraag heeft ingediend (art. 20 ROW). Dit geeft anderen, die de desbetreffende of een overeenkomstige uitvinding wellicht reeds toepassen, de mogelijkheid om te anticiperen op het feit dat binnen afzienbare tijd die uitvinding niet meer door hen mag worden toegepast, omdat een ander daarop dan een octrooi zal hebben verkregen. Zij hebben dan nog enige tijd om over te stappen op een andere technologie of om met de aanvrager van het octrooi licentieafspraken te maken, zodat hun bedrijfsvoering op het moment waarop het octrooi definitief wordt toegekend, niet onmiddellijk in de problemen komt.

Het aanvragen van een octrooi is niet zozeer juridisch, maar vooral technisch van aard. Door die technische aspecten is de aanvraag vaak zeer ingewikkeld. In de aanvraag moet namelijk nauwkeurig worden uitgelegd hoe het technische proces werkt en wat daaraan zo bijzonder is in verhouding tot eventueel reeds gepatenteerde of bekende uitvindingen (art. 25 ROW). Voor degenen die octrooi aanvragen, is het dan ook raadzaam hiervoor de hulp van een deskundige in te schakelen. Dit zijn overigens geen advocaten, maar particuliere octrooibureaus die zich hebben gespecialiseerd in het aanvragen van octrooi op technische uitvindingen. Advocaten komen als regel pas om de hoek kijken nadat het octrooi is verleend, bijvoorbeeld als een derde daarop inbreuk maakt (starten van een rechtsprocedure) of als de octrooihouder zijn octrooirecht wil vervreemden of in licentie wil geven (opmaken van overname- of licentiecontracten).

Tijdens de beoordelingsprocedure vindt er overleg plaats tussen de octrooiraad en de aanvrager. Naar aanleiding daarvan mag de aanvrager zijn octrooiverzoek aanpassen. Daardoor kan het octrooi, zoals dat uiteindelijk zal worden verleend, afwijken van de aanvraag zoals die is ingediend en wellicht ook is gepubliceerd.

Is de octrooiraad van mening dat de uitvinding aan alle gestelde criteria voldoet, dan zal de octrooiaanvraag in het octrooiregister worden ingeschreven en is als gevolg daarvan het octrooi verleend. Heeft er van tevoren géén onderzoek naar de stand der techniek (nieuwheidsvereiste) plaatsgehad, dan geldt de inschrijving slechts voor 6 jaar (art. 33 ROW). Heeft zo'n onderzoek wel plaatsgehad, dan geldt de inschrijving voor 20 jaar (art. 36 ROW).

De octrooiverlening geschiedt door het plaatsen van een gedateerde aantekening op de aanvrage in de vorm waarin deze ingediend dan wel overeenkomstig de wet is gewijzigd. Het Bureau geeft de bij de aanvrage behorende beschrijving en tekeningen bij wege van octrooischrift uit en verstrekt hiervan een gewaarmerkt afschrift aan de aanvrager (art. 33 lid 3 en 4 jo. art. 36 lid 2 ROW). De aanvrager heeft vanaf dit moment een octrooirecht op de uitvinding verkregen die hem in staat stelt als enige deze uitvinding toe te passen en iedere andere persoon te verbieden om van zijn uitvinding gebruik te maken. Bij vele andere octrooien heeft het octrooirecht pas werking vanaf de dag dat het is gepubliceerd.

Overigens is een verleend octrooi vatbaar voor vernietiging. Eenieder die aantoont dat de uitvinding niet voldoet aan de gestelde criteria, bijvoorbeeld omdat zij niet nieuw of innovatief is, kan de vernietiging van het octrooirecht eisen. Dit zal met name geschieden door andere octrooihouders die van oordeel zijn dat de uitvinding in strijd is met het aan hen verleende octrooirecht (zie hierna).


Hoe kan men een internationaal (Europees) octrooi voor Nederland verkrijgen?

Het aanvragen van een octrooi is niet goedkoop. Met name wanneer men in vele landen een octrooirecht op de uitvinding wil verkrijgen, is de procedure kostbaar. In de praktijk maken dan ook vooral grote bedrijven gebruik van het internationale octrooinetwerk. Kleine uitvinders beperken hun aanvraag tot hun eigen land of vragen géén octrooi aan. Dit laatste kan soms grote gevolgen hebben. Weliswaar rust op de uitvinding soms ook een auteursrecht, maar dat biedt minder bescherming dan een octrooirecht.

In ieder land is er een nationale octrooiraad waar men een aanvraag voor een octrooi kan indienen. Na toekenning van het octrooi geldt het verleende octrooirecht in beginsel alleen in het land van aanvraag. Vaak wil men in meer landen een octrooi op de uitvinding krijgen. Daartoe zou men in al die landen bij de desbetreffende octrooiraden een afzonderlijke aanvraag moeten indienen, die door ieder octrooiraad aan de hand van eigen criteria wordt beoordeeld. Dit is zeer omslachtig. Bovendien loopt degene die in het ene land een octrooi aanvraagt, dan het risico dat een ander naar aanleiding daarvan in een ander land snel een octrooiaanvraag ter zake van zijn uitvinding indient. Daarom hebben verschillende landen verdragen met elkaar gesloten waarin deze problemen zijn geregeld.

Het Octrooisamenwerkingsverdrag (Patent Cooperation Treaty of PCT) schept de mogelijkheid om door middel van één aanvraag tegelijkertijd in verschillende landen voor dezelfde uitvinding octrooi te verkrijgen. De aanvraag moet centraal worden ingediend bij het Internationale Bureau van de World Intellectual Property Organization (WIPO). Daarbij wordt aangegeven voor welke landen octrooi wordt gevraagd. Het Internationale Bureau controleert of de aanvraag aan de formele vereisten voldoet en stuurt het ter verdere beoordeling (nieuwheidsonderzoek) door naar een van de grote octrooiraden, zoals het US Patent and Trademark Office, de Europese Octrooiraad of het Japanse Octrooibureau. De resultaten van dit nieuwheidsonderzoek worden door het Internationale Bureau doorgestuurd naar de verschillende nationale octrooiraden, die naar aanleiding daarvan de procedure voortzet. Dit betekent dat in de verschillende landen niet opnieuw een afzonderlijk en tijdrovend nieuwheidsonderzoek behoeft te worden gedaan, zodat de procedure veel sneller kan worden afgewikkeld. Wel volgt ieder land bij de beoordeling van het verzoek zijn eigen criteria.

Het Europees Octrooiverdrag (EOV) is géén onderdeel van de EU, maar een verdrag tussen verschillende Europese staten (EU-leden en niet-EU-leden) ten aanzien van de aanvraag van één Europees octrooi. In de Rijksoctrooiwet 1995 is Hoofdstuk 3 in het bijzonder gewijd aan het Europese octrooi en Gemeenschapsoctrooi.

De aanvraag voor een Europees octrooi moet centraal worden ingediend bij het Europees Octrooibureau (EOB) en aangeven voor welke aaneengesloten landen een octrooi wordt verzocht. Het Europees Octrooibureau (EOB) verricht een nieuwheidsonderzoek en maakt een nieuwheidsrapport. Is de uitvinding octrooieerbaar volgens de criteria van het verdrag, dan verleent het EOB een Europees octrooi. Dit houdt in dat de aanvrager voor alle aangewezen lidstaten een nationaal octrooi heeft verkregen, zonder dat daarvoor bij die lidstaten nog een afzonderlijke aanvraagprocedure behoeft te worden gevolgd. Een Europees octrooi is in feite een "bundel van nationale octrooirechten", waarvan de verkrijging door middel van één centrale aanvraag kan worden gerealiseerd. Binnen negen maanden na verlening van het Europese octrooi kan iedereen daartegen oppositie voeren (verzet aantekenen). Blijkt na dit verzet dat het Europese octrooirecht ongeldig is, dan wordt het tegelijkertijd voor alle landen ingetrokken.

Na afloop van de hier bedoelde termijn van negen maanden kan het octrooi alleen in elk land apart ongeldig worden verklaard. Alle geschillen met betrekking tot de geldigheid en inbreuk moeten in elk land afzonderlijk op basis van nationale wetgeving worden opgelost. Uitsluitend de rechtbank van het desbetreffende land is bevoegd hierover een uitspraak te doen.

Nadat een Europees octrooi door het Europees Octrooibureau (EOB) is verleend én gepubliceerd, wordt het als zodanig door Nederland erkend en op dezelfde wijze behandeld als een nationaal octrooi (art. 49 ROW). Direct na publicatie van het Europese octrooi wordt de toekenning ervan door het Bureau in het Nederlands octrooiregister ingeschreven (art. 51 ROW). Het Europese octrooi dat na een oppositieprocedure geheel of gedeeltelijk is herroepen, wordt ook voor zijn werking in Nederland geacht met terugwerkende kracht voor het herroepen deel nimmer enige werking te hebben gehad (art. 50 ROW). Een en ander wordt door het Bureau in het Nederlandse octrooiregister aangetekend (art. 51 ROW).

De houder van een Europees octrooi dient binnen de daarvoor geldende termijn een Nederlandse vertaling, inclusief bijbehorende tekeningen en documenten, te versturen naar het  Bureau voor Industriële Eigendom in Nederland (art. 52 ROW).

Een aanvraag voor een Europees octrooi kan, nadat het om bepaalde redenen is ingetrokken, meteen worden omgezet in een octrooiaanvraag voor een (uitsluitend) voor Nederland geldend nationaal octrooirecht (§ 2.4 ROW).


Rechten van de octrooihouder en handhaving van zijn rechten

Een octrooihouder aan wie een octrooirecht is verleend, kan derden die onbevoegd gebruikmaken van zijn uitvinding voor de rechter slepen en vorderen dat dit gebruik wordt gestaakt en dat de derde aan hem de schade vergoedt die is geleden door de inbreukmakende handelingen (art. 53 ROW). Die mogelijkheid bestaat eveneens als de derde de uitvinding geheel zelf heeft bedacht en in werkelijkheid niet van het octrooi op de hoogte was of kon zijn. In het laatste geval biedt een auteursrecht als regel geen bescherming.

De octrooihouder moet, ondanks zijn absolute en uitsluitende recht op de uitvinding, niettemin gedogen dat:

  • het gebruik van de (overeenkomstige) uitvinding in schepen, luchtvaartuigen en voertuigen die ons land aandoen en hier niet permanent verblijven (art. 54 ROW);
  • een derde, die de (overeenkomstige) uitvinding reeds vóór de indiening van de octrooiaanvraag in Nederland reeds in of voor zijn bedrijf vervaardigde of toepaste of aan zijn voornemen tot zodanige vervaardiging of toepassing een begin van uitvoering had gegeven, dat gebruik voortzet ('voorgebruiker'), tenzij die derde zijn wetenschap ontleend heeft aan hetgeen reeds door de octrooiaanvrager vervaardigd of toegepast werd, of wel aan beschrijvingen, tekeningen of modellen van de octrooiaanvrager (art. 55 ROW);
  • een licentiehouder, aan wie de octrooihouder zelf een licentie heeft verleend (art. 56 of art. 60 ROW) of aan wie door de overheid een dwanglicentie is toegekend (art. 57 of art. 57a ROW) gebruikmaakt van de uitvinding overeenkomstig de inhoud van de licentie (voor de inhoud van een dwanglicentie zie onder meer art. 58, art. 58a en art. 59 ROW).

De octrooihouder kan tegen eenieder die in Nederland in strijd met zijn octrooirecht gebruikmaakt van zijn uitvinding (zie art. 53 ROW) een rechtsvordering instellen en daarin onder meer eisen:

  • dat de derde het gebruik onmiddellijk staakt (art. 70 lid 1 ROW);
  • dat de derde, voorzover deze bewust in strijd met het octrooirecht heeft gehandeld, schadevergoeding betaalt (art. 70 lid 3 ROW);
  • dat de derde die winst heeft gerealiseerd door onbevoegd van de uitvinding gebruik te maken, deze winst afdraagt (art. 70 lid 4 ROW);
  • dat roerende zaken, die zelf direct een inbreuk op het octrooirecht maken, aan het verkeer worden onttrokken of worden vernietigd alsook dat machines, apparaten e.d. waarmee zulke roerende zaken worden vervaardigd aan het verkeer worden onttrokken, een en ander voorzover de inbreuk in Nederland plaatsvindt en de goederen zich in Nederland bevinden (art. 70 lid 6 ROW);
  • dat de derde een redelijke vergoeding betaalt voor handelingen, verricht in de periode tussen het aanvragen van het octrooi en de verlening daarvan, waarmee een inbreuk werd gemaakt op het later verleende octrooi (art. 71 en art. 72 ROW).


Vernietiging en opeising van een reeds verleend octrooirecht

Iedereen die daar belang bij heeft, is bevoegd de rechter te verzoeken de vernietiging van het octrooirecht uit te spreken op één van de in de Rijksoctrooiwet genoemde vernietigingsgronden (art. 75 ROW), te weten:

  • hetgeen waarvoor octrooi is verleend, is niet vatbaar is voor octrooi (is bijv. niet nieuw of innovatief);
  • het octrooischrift bevat niet een zo duidelijke en volledige beschrijving van de uitvinding dat een deskundige deze uitvinding kan toepassen;
  • het onderwerp van het octrooi wordt niet gedekt door de inhoud van de ingediende aanvrage;
  • na octrooiverlening is een uitbreiding van de beschermingsomvang opgetreden.

Het verleende octrooi is eveneens vernietigbaar, als de houder van het octrooi daarop geen aanspraak had, bijvoorbeeld omdat het octrooi reeds aan een ander toebehoorde of onbevoegdelijk aan de uitvinding of het model van een ander is ontleend (art. 75 lid 1, onder e ROW). De rechtsvordering tot vernietiging komt toe aan degene die wel aanspraak op het octrooi had. Indien laatstgenoemde zelf een octrooi voor de desbetreffende uitvinding heeft verkregen, komt de rechtsvordering tot vernietiging mede toe aan licentiehouders en pandhouders.

Om ontvankelijk te worden verklaard in een rechtsvordering tot vernietiging van een octrooi, moet bij de dagvaarding worden overgelegd het resultaat van een door het bureau uitgebracht advies omtrent de toepasselijkheid van de in artikel 75, eerste lid, genoemde nietigheidsgronden. In kort geding kan de president van de arrondissementsrechtbank, aan degene die stelt dat een octrooi vernietigd behoort te worden, opdragen om een advies van het bureau omtrent de toepasselijkheid van de in artikel 75, eerste lid, genoemde nietigheidsgronden over te leggen (art. 76 ROW).

Wanneer de octrooihouder de inhoud van zijn aanvrage onbevoegdelijk heeft ontleend aan hetgeen reeds door een ander werd vervaardigd of toegepast werd of aan beschrijvingen, tekeningen of modellen van een ander, houdt die ander aanspraak op het octrooi (art. 11 ROW). Die ander kan het verleende octrooirecht voor zichzelf opeisen (art. 78 ROW). Hetzelfde geldt wanneer een octrooi is verleend aan een werknemer, die de uitvinding heeft gedaan, terwijl in feite diens werkgever aanspraak op het octrooi heeft (art. 12 ROW) of als één van de uitvinders octrooi heeft verkregen die hij tezamen met een ander volgens afspraak heeft uitgevonden (art. 13 ROW.)

Na opeising verkrijgt de ander, die in feite aanspraak op het octrooi had, als enige een absoluut en uitsluitend octrooirecht op de uitvinding. Hij wordt in de plaats van de aanvrager als octrooihouder in het octrooiregister vermeld. Maar was de aanvrager te goeder trouw of heeft hij destijds het octrooirecht te goeder trouw van zijn rechtsvoorganger verkregen, dan blijft hij ten aanzien van de nieuwe octrooihouder, die krachtens opeising rechthebbende op het octrooirecht is geworden, bevoegd tot toepassing van de uitvinding op de voet als omschreven in artikel 55 ROW (art. 78 lid 3 ROW). De rechten van derden te goeder trouw, verkregen vóór de opeising, worden geregeld in art. 78 lid 4, 5 en 6 ROW.

De rechtsvordering tot opeising verjaart twee jaar nadat het octrooirecht is verleend (nationaal octrooi) of gepubliceerd (Europees octrooi). Nochtans kan degene, die bij het verkrijgen van het octrooi wist of had moeten weten, dat hij of de persoon, die het hem overdroeg, geen aanspraak had op het octrooi, zich niet op deze verjaring beroepen, wanneer degene die aanspraak op het octrooi had in rechte opeising daarvan vordert (art. 78 lid 7 ROW).

De bevoegdheid om van een rechtsvordering ten aanzien van een octrooi kennis te nemen, berust in beginsel bij de rechtbank binnen wier arrondissement de gedaagde woont of is gevestigd, tenzij de rechtsvordering een belang beneden € 5.000,-- betreft of direct verband houdt met een arbeidsovereenkomst tussen partijen, in welk geval de kantonrechter bevoegd is (art. 83 lid 1 ROW). Ook kan een kort geding worden aangespannen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. In de belangrijkste gevallen is de rechtbank te Den Haag evenwel bij uitsluiting bevoegd (art. 80 en art. 81 ROW).

In geval de uitvinder niet geacht kan worden in het door hem genoten loon of de door hem genoten geldelijke toelage of in een bijzondere door hem te ontvangen uitkering vergoeding te vinden voor het gemis aan octrooi, is degene aan wie krachtens het eerste, tweede of derde lid van art. 12, de aanspraak op octrooi toekomt, verplicht hem een, in verband met het geldelijke belang van de uitvinding en met de omstandigheden waaronder zij plaatshad, billijk bedrag toe te kennen. Een vorderingsrecht van de uitvinder krachtens dit lid vervalt na verloop van drie jaren sedert de datum waarop het octrooi is verleend (art. 12 lid 6 ROW). Rechtsvorderingen die op deze bepaling zijn gegrond, worden aangemerkt als rechtsvorderingen met betrekking tot een arbeidsovereenkomst (kantonrechter is bevoegd), tenzij de rechtsbetrekking tussen de bij het geschil betrokkenen niet wordt bepaald door een arbeidsovereenkomst (art. 83 lid 2 ROW).


Overdracht en licentie van octrooirechten

De octrooihouder kan zijn octrooirecht aan een ander overdragen of op een andere wijze op een ander doen overgaan. Hetzelfde geldt voor zijn aanspraak (onder meer voorrang) dat voortvloeit uit een reeds ingediende octrooiaanvraag, waarop nog geen octrooi is verleend (art. 64 lid 1 ROW). Voor de overdracht van het octrooirecht of van de aanspraak uit de octrooiaanvraag is een (onderhandse of authentieke) akte tussen de vervreemder en de verkrijger vereist. Die akte doet het recht van de een of de ander overgaan. Elk voorbehoud, de overdracht betreffende, moet in de akte omschreven zijn. Bij gebreke daarvan geldt de overdracht voor onbeperkt. De overdracht werkt tegenover derden eerst wanneer de akte in het octrooiregister is ingeschreven. Tot het doen verrichten van deze inschrijving zijn beide partijen gelijkelijk bevoegd (art. 65 ROW).

Het is eveneens mogelijk een aandeel in een octrooirecht of in de aanspraak uit een octrooiaanvraag aan een ander over te dragen of anderszins op een ander te doen overgaan (art. 64 lid 1 ROW). De rechtsverhouding tussen de verschillende deelgerechtigden wordt beheerst door wat hierover in de overeenkomst is bepaald. Ontbreekt zo'n overeenkomst, dan zijn alle deelgerechtigden ieder afzonderlijk bevoegd van de uitvinding gebruik te maken (art. 53 ROW) en zich in of buiten rechte te verzetten tegen eenieder die inbreuk op de uitvinding maakt (art. 70, art. 71, art. 72 en art. 73 ROW). Zij kunnen evenwel alleen gezamenlijk aan derden een licentie verlenen (art. 66 ROW).

Een pandrecht op een octrooi wordt gevestigd bij een (onderhandse of authentieke) pandakte, maar werkt tegenover derden eerst wanneer de akte door het Bureau in het octrooiregister is ingeschreven. De pandhouder is verplicht in een door hem ondertekende verklaring, bij het bureau ter inschrijving in te zenden, woonplaats te kiezen te 's-Gravenhage. Indien die keuze niet is gedaan, geldt het bureau als gekozen woonplaats. Bedingen in de pandakte betreffende na inschrijving te verlenen licenties gelden van het ogenblik af, dat zij in het octrooiregister zijn aangetekend, ook tegenover derden. Bedingen betreffende vergoedingen voor licenties die op het ogenblik van de inschrijving reeds waren verleend, gelden tegenover de houder van de licentie na aanzegging aan deze bij deurwaardersexploot Akten, waaruit blijkt, dat het pandrecht heeft opgehouden te bestaan of krachteloos is geworden, worden door het bureau in het octrooiregister ingeschreven (art. 67 ROW).

In plaats van het octrooirecht over te dragen kan de octrooihouder het ook aan een ander in licentie geven. De octrooihouder blijft dan de absolute en uitsluitende rechthebbende op het octrooirecht. De licentiehouder heeft slechts het recht om tegen voldoening van een zeker bedrag gedurende een bepaalde termijn op een nader omschreven wijze van de uitvinding gebruik te maken en eventuele nevenrechten uit te oefenen.

Een licentie ontstaat door een overeenkomst of door een aanvaarde uiterste wilsbeschikking. Dit betekent dat een licentie vormvrij - bijvoorbeeld mondeling of stilzwijgend - door de octrooihouder aan de licentiehouder kan worden verleend. Maar de licentie werkt pas tegenover derden wanneer haar titel (licentiecontract) in het octrooiregister is ingeschreven (art. 56 lid 2 ROW). In de praktijk wordt altijd een licentiecontract opgemaakt, waarin de rechten en plichten van de licentiehouder uitvoerig staan omschreven. Die akte kan ter inschrijving aan het Bureau worden aangeboden, indien zij voorziet in de hiervoor genoemde verklaring. Indien het octrooirecht aan twee of meer octrooihouders gezamenlijk toebehoort, kunnen zij slechts gezamenlijk een licentie verlenen (art. 66 lid 2 ROW). Overigens kan een licentie ook op één of meer andere manieren dan door overeenkomst of testament ontstaan, maar die zijn in de praktijk nauwelijks van belang (zie art. 58 en art. 60 ROW)

Door een licentie wordt van de octrooihouder de bevoegdheid verkregen handelingen te verrichten die volgens artikel 53 ROW aan anderen dan hem niet vrijstaan. Die bevoegdheid strekt zich uit tot alle in art. 53 ROW vermelde handelingen en geldt voor de gehele duur van het octrooi, tenzij bij de verlening der licentie een minder omvangrijk recht is toegekend (art. 56 lid 1 ROW). Indien de octrooihouder beperkingen wil aanbrengen, bijvoorbeeld in de duur van de licentie, in de wijze waarop of het gebied waarin van de uitvinding gebruik mag worden gemaakt, dient hij dit derhalve uitdrukkelijk in het licentiecontract aan te duiden.

Bij vernietiging of opeising  van het octrooirecht dat in licentie is gegeven, verkrijgt onder omstandigheden een ander in de plaats van de licentieverstrekker het octrooirecht in handen (art. 75 lid 8 resp. art. 78 lid 4 ROW). Te goeder trouw vóór de inschrijving van de vernietiging respectievelijk opeising verkregen licenties blijven geldig tegenover de nieuwe octrooihouder, die overeenkomstig artikel 56, derde lid, recht verkrijgt op de voor de licenties verschuldigde vergoeding. Daarbij gaat ook het recht op vergoeding jegens de licentiehouder over op de nieuwe octrooihouder. Deze verkrijgt aanspraak op een deel van de in het geheel voor de licentie betaalde en te betalen vergoeding in verhouding tot de tijd, gedurende welke de licentie in normale omstandigheden nog van kracht moet blijven. Is hetgeen de licentiehouder nog moet betalen niet voldoende om de nieuwe rechthebbende te verschaffen wat hem toekomt, dan heeft deze voor het ontbrekende verhaal op de vroegere (art. 56 lid 3 ROW).

Bedingen in de pandakte betreffende na inschrijving van die pandakte te verlenen licenties gelden van het ogenblik af, dat zij in het octrooiregister zijn aangetekend, ook tegenover derden. Bedingen betreffende vergoedingen voor licenties die op het ogenblik van de inschrijving reeds waren verleend, gelden tegenover de houder van de licentie na aanzegging aan deze bij deurwaardersexploot (art. 67 lid 3 ROW).

Een licentiehouder is in beginsel niet bevoegd om zich zelfstandig in rechte te verzetten tegen de inbreuk door een derde op zijn licentierecht en / of de uitvinding waarop zijn recht betrekking heeft. Heeft de octrooihouder evenwel een rechtsprocedure gestart tegen een inbreukmakende derde dan kan de licentiehouder zich in dat proces voegen met een directe vordering tot vergoeding van schade of tot afdracht van een deel van de winst. De octrooihouder kan dit overigens ook namens de licentiehouder doen. Indien een octrooi in licentie is gegeven door de octrooihouder en het Bureau nadien aan een ander een octrooi op een overeenkomstige uitvinding verleent, kan niet alleen de eerste octrooihouder, op grond van zijn ouder recht, de vernietiging van het tweede octrooi vorderen, maar ook de licentiehouder (art. 75 lid 3 ROW). Voor het overige kan een licentiehouder slechts een zelfstandige vordering instellen of zelf een dagvaarding jegens een inbreukmakende derde doen uitbrengen als hij de bevoegdheid daartoe van de octrooihouder heeft bedongen (art. 70 lid 5 ROW). Het is raadzaam hierover een bepaling in het licentiecontract op te nemen teneinde hierover onduidelijkheden te voorkomen.