| |
Afd. 7.4.4 De overgang van huur bij overdracht van de zaak en het eindigen
van de huur
Toelichting art. 7:226 BW (art. 7.4.4.1)
Algemene opmerkingen t.a.v. art. 226 en 227.
MvA art. 226 en 227 (Algemeen):
1. De leden van de PvdA-fractie hebben aandacht gevraagd voor een
artikel van mr Asbreuk-van Os. Zij hebben opgemerkt dat het door haar
gestelde niet alleen van theoretische betekenis is, maar ook van praktisch
belang. De schrijfster betoogt immers dat de formulering van de artikelen
226 en 227 dusdanig is dat in een aantal door haar beschreven gevallen
de huurder bij eigendomsovergang niet beschermd zal worden. Zij betoogt
verder dat de overgang van de verhuurderspositie op de beperkt gerechtigde
in een aantal gevallen nadelig voor de huurder uitwerkt. Deze leden hebben
de regering gevraagd uitvoerig uiteen te zetten op welke punten zij het
wel en niet met de auteur eens is. Ook de leden van de fracties van de
SGP en de ChristenUnie hebben de regering gevraagd uitvoerig op de bijdrage
van mr Asbreuk-van Os in te gaan. Vooropgesteld moet worden dat de bijdrage
van mr Asbreuk-van Os tot uitgangspunt neemt dat "een grondige herziening"
van de artikelen 226 en 227 noodzakelijk is omdat de huurder "anders
na de invoering van het wetsontwerp minder beschermd (wordt) dan onder
het huidige recht het geval is". Het is van belang dit op de merken
omdat enerzijds de artikelen 226 en 227 beogen het huidige recht in beginsel
te continueren en anderzijds in de voormelde bijdrage soms standpunten
worden ingenomen die duidelijk maken dat de opvattingen van de schrijfster
omtrent wat het huidige recht inhoudt, niet steeds in overeenstemming
zijn met wat in de overige literatuur wordt aangenomen. Voorts is van
belang dat het huidige recht hier nog steeds is gebaseerd op het ongelukkig
geredigeerde artikel 7A:1612 BW, dat uitsluitend zegt: "Door verkoop
van het verhuurde wordt eene te voren aangegane huur niet verbroken, ten
ware die bij de verhuring mogt voorbehouden zijn." Het huidige recht
komt derhalve neer op een in rechtspraak en literatuur ontwikkelde, sterk
extensieve uitleg van deze bepaling. Die uitleg heeft vooral op twee punten
betrekking. In de eerste plaats geldt de bepaling niet alleen voor koop,
maar - kort gezegd - voor elke vervreemding, vestiging van een beperkt
recht daaronder begrepen, zoals hierna nog aan de orde zal komen. In de
tweede plaats wordt niet alleen niet de huur verbroken, maar gaat het
verhuurderschap ook van de vervreemder over op de verkrijger. De artikelen
226 en 227 strekken ertoe deze extensieve uitleg, die bevredigend werkt,
verder vorm te geven. Het kan echter nodig zijn ook deze bepalingen, waar
de bescherming van de huurder dit eist, extensief uit te leggen. Het is
immers niet goed mogelijk voor alle gevallen die zich in de - toekomstige
- praktijk nog zouden kunnen voordoen, een uitgewerkte regel op te nemen.
Zoals hierna zal blijken zien wij voor een grondige herziening als in
de bijdrage voorgesteld geen enkele reden. Wel heeft de bijdrage de verdienste
tal van detail-vragen aan de orde te stellen die bij de parlementaire
behandeling tot nu toe nog niet waren beantwoord en waarvan de beantwoording
voor toekomstige wetstoepassers van groot belang kan zijn. Hetgeen volgt
doet aan onze waardering hiervoor niet af.
Lid 1 (art. 7:226 BW)
| Lid 1. Overdracht van de zaak waarop
de huurovereenkomst betrekking heeft en vestiging of overdracht van
een zelfstandig recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal op de
zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft, door de verhuurder
doen de rechten en verplichtingen van de verhuurder uit de huurovereenkomst,
die daarna opeisbaar worden, overgaan op de verkrijger. |
Beginsel 'overdracht breekt geen huur'.
MvT art. 226 lid 1:
1. Het artikel regelt de materie van het huidige art. 7A:1612 en volgt
in hoofdzaak de versie van het daarin neergelegde beginsel "koop
breekt geen huur" die is uitgewerkt in art. 7.4.4.1 OM. De vele technische
verduidelijkingen die deze versie ten opzichte van art. 1612 brengt, zullen
hieronder niet afzonderlijk worden toegelicht. Daarvoor moge worden verwezen
naar de bijgevoegde TM, p. 939-943.
2. De aanhef van het artikel is aangepast aan het spraakgebruik van Boek
3, het vervallen van het recht van beklemming en het feit dat, anders
dan in het OM, art. 201 spreekt van huur van "een zaak of een gedeelte
daarvan". Verder zijn de leden 4 en 5 van art. 7.4.1.1, die betrekking
hebben op in de praktijk niet voorkomende afwijkende bedingen, niet overgenomen;
zie Adriaansens RMTh 1995, p. 6-7. In aansluiting daarop is ook art. 7.4.4.4
niet gevolgd.
3. Adriaansens voorstel de bepaling dwingend te maken is gevolgd voor
gebouwde onroerende zaken. Dat brengt mee dat de artikelen 7A:1623a lid
7 en 1624 lid 3, tweede zin, kunnen vervallen. Er is geen reden de bepaling
ook voor roerende zaken of voor onbebouwde grond dwingend te maken. Waarom
zou iemand niet tegen betaling een stuk grond als opslagterrein mogen
gebruiken tot het tijdstip dat de eigenaar een koper heeft gevonden en
het aan deze overdraagt?
MvT art. 226 en 227 (hier t.a.v. art. 226 lid 1):
Bovendien brengt de voorgestelde redactie duidelijker tot uiting dat
zij slechts geldt voor na de huurovereenkomst gevestigde beperkte rechten.
Belemmeringen in het gebruik van het gehuurde op grond van vóór
de huurovereenkomst gevestigde beperkte rechten zal de huurder reeds hebben
te aanvaarden op grond van de hoofdregel dat obligatoire overeenkomsten
niet tegen derden werken. Daarbij verdient echter aantekening dat, zoals
hiervoor al aangestipt, na de vestiging van hypotheek en ook na die van
bezitloos pandrecht, de eigenaar in beginsel tot verhuring bevoegd blijft
en derhalve ook tot het verschaffen aan de huurder van het gebruik van
de zaak. Wel geldt hier echter, zo het tot executie komt, de regel van
artikel 226 lid 2 en voor de hypotheekhouder bovendien de bijzondere regeling
van artikel 3:264. Deze bepalingen kunnen naar gelang van de omstandigheden
ook door een latere huurder worden ingeroepen. Zoals Asbreuk-Van Os terecht
heeft opgemerkt is de opmerking over artikel 3:264 in de memorie van toelichting
bij artikel 227, p. 36, in verband met dit laatste enigszins misleidend:
lid 4 bevat geen anciënniteitsregel, maar maakt beslissend of ten
tijde van de vestiging van de hypotheek reeds - kort gezegd - op soortgelijke
voet was verhuurd, in welk geval ook latere huurders worden beschermd.
Plaats overgang verhuurderspositie binnen het vermogensrecht.
MvT art. 226 en 227 (Algemeen):
5. a. Tenslotte dient nog een nadere toelichting te worden gegeven
op de achtergrond waartegen de artikelen 226 en 227 moeten worden gezien.
In de literatuur is hieromtrent een discussie ontstaan, hetgeen ertoe
heeft geleid dat is aangedrongen op een heroverweging van deze artikelen;
men zie M.M. Asbreuk-Van Os, WPNR 6368, en de reactie daarop van R. Westrik,
in WPNR 6395. Omdat de overwegingen die aan de artikelen 226 en 227 ten
grondslag liggen, hun wortels hebben in het huidige vermogensrecht, zoals
dat in 1992 tot stand is gekomen, en daarop in de memorie van toelichting
niet uitvoerig is ingegaan, is het inderdaad wenselijk die overwegingen
nader uiteen te zetten en aldus opnieuw te bezien.
Voorop moet worden gesteld dat beide schrijvers uit lijken te gaan van
een strakker dogmatisch onderscheid tussen zakelijke (of goederenrechtelijke)
rechten en persoonlijke rechten dan in het huidige recht, dat verschillende
overgangsfiguren kent, houdbaar is. Een klassiek voorbeeld daarvan is
de huurovereenkomst waaruit in beginsel tussen partijen persoonlijke rechten
voortvloeien, maar die tegelijk in verschillende opzichten ook tegen derden
werkt. Eén van die opzichten is de wisseling van het verhuurderschap
op grondslag van het beginsel van het huidige artikel 7A:1612, wanneer
de verhuurder zijn recht op de door hem aan de huurder in gebruik gegeven
zaak onder bijzondere titel op een ander doet overgaan. Aldus wordt tegemoet
gekomen aan de behoefte van de huurder aan continuïteit van zijn
verhouding tot een verhuurder die als rechthebbende op de zaak in staat
is hem het hem toekomende gebruik van de zaak te verschaffen. De huurovereenkomst
betreft, vanuit de verhuurder gezien, in wezen een wijze van exploitatie
van de betrokken zaak, die de verhuurder recht geeft op de burgerlijke
vruchten (de huur). Er is geen bezwaar tegen dat zijn desbetreffende rechten
uit de huurovereenkomst op de nieuwe rechthebbende overgaan, die aldus
de exploitatie van de zaak op gelijke voet met de huurder als tegenpartij
kan voortzetten. De hierin gelegen belangrijke bescherming van de huurder
heeft in de loop van de tijd meer nadruk gekregen in verband met de toegenomen
dwingendrechtelijke continuïteitswaarborgen, in het bijzonder met
betrekking tot huur van woonruimte en huur van bedrijfsruimte. Voor die
bescherming bestaat evenwel ook buiten die specifieke gebieden behoefte.
Het enkele feit dat de verhuurder zijn bevoegdheden ten aanzien van de
verhuurde zaak op een ander doet overgaan, behoort de continuïteit
waarop de huurder krachtens de huurovereenkomst aanspraak kan maken niet
aan te tasten.
Het gaat hier derhalve om praktische overwegingen voor een versterking
van de in beginsel obligatoire gebruiksrechten van huurders door aan die
rechten een zekere werking ten opzichte van derden toe te kennen. Het
gaat hier - anders dan in de gedachtegang van de voormelde schrijvers
- met name niet om een inpassing van een goederenrechtelijke figuur in
het stelsel van het goederenrecht, waarin in beginsel oudere rechten voor
jongere gaan en derhalve de volgorde van vestiging beslissend is voor
de vraag jegens wie de rechthebbende zijn recht kan inroepen. Anders dan
Asbreuk-Van Os betoogt is er geen reden om de (rechten uit de) huurovereenkomst
tot een zakelijk recht te maken. Partijen die een zakelijk gebruiksrecht
wensen, kunnen dat vestigen in de vorm van erfpacht als bedoeld in titel
5.7, waar een grote mate van vrijheid wordt gegeven om aan dat recht door
middel van erfpachtvoorwaarden de door partijen gewenste vorm te geven.
Maar daartoe is wel een goederenrechtelijke wijze van vestiging vereist
met de daaraan verbonden (onder meer fiscale) kosten, zulks in tegenstelling
tot de vormvrijheid die voor het aangaan van een huurovereenkomst geldt.
Ook brengt de sterke positie die de erfpachter heeft, mee dat hij zijn
recht in de regel slechts door middel van een koopovereenkomst kan verkrijgen,
waarvan de prijs weinig zal verschillen van die ter zake van koop van
eigendom. Het huurrecht biedt daarentegen, in het bijzonder wanneer het
woonruimte of bedrijfsruimte betreft, een specifieke bescherming op grond
van het enkele feit van het sluiten van de huurovereenkomst. In het licht
van een en ander verdient het - anders dan Asbreuk-Van Os meent - geen
aanbeveling de traditionele figuur van de obligatoire huurovereenkomst,
versterkt met het aan artikel 7A:1612 ten grondslag liggende beginsel,
thans prijs te geven en te vervangen door een zakelijk recht. Evenmin
bestaat reden om terug te komen op het besluit om af te zien van het openen
van de mogelijkheid huurovereenkomsten tot een inschrijfbaar feit in de
registers van afdeling 3.1.2 te maken. En tenslotte is er geen reden om
de prioriteitsregel voor de onderlinge verhouding tussen goederenrechtelijke
rechten zonder meer ook toe te passen op de verhouding tussen dergelijke
rechten en de rechten uit een huurovereen- komst, zoals Westrik aan beveelt
en hieronder nog nader aan de orde zal komen.
Verkrijging onder bijzondere titel.
MvT art. 226 en 227 (Algemeen):
b. Evenals het huidige artikel 7A:1612 ziet ook artikel 226 op verkrijging
van de verhuurde zaak onder bijzondere titel. Voor wat betreft verkrijging
onder algemene titel is de bepaling overbodig en in zoverre zelfs niet
geheel juist dat hier de gehele overeenkomst met alle daarin gemaakte
bedingen overgaat en niet alleen de in artikel 226 lid 3 bedoelde bedingen
"die onmiddellijk verband houden met het doen hebben van het gebruik
van de zaak tegen een door de huurder te betalen tegenprestatie".
Zulks volgt uit artikel 6:249 en, voor wat betreft eventuele opties uit
6:222. Het geldt niet alleen voor de rechtstreekse verkrijging door erfopvolging
of door het huwen in gemeenschap, maar voor de verkrijging op grond van
een verdeling van een aldus onder algemene titel ontstane gemeenschap.
Dit volgt uit artikel 3:186 lid 2. Voor de overgang op de deelgenoot van
het aan hem toegedeelde is weliswaar een leveringshandeling vereist, maar
hetgeen aldus wordt verkregen, wordt door hem gehouden onder dezelfde
(hier: algemene) titel als waaronder de gezamenlijke deelgenoten de zaak
tevoren hielden. Dat betekent dat een eventuele koopoptie, zo deze niet
onder artikel 226 lid 3 zou vallen, na verdeling van de nalatenschap of
de huwelijksgemeenschap wel jegens de hier bedoelde verkrijger onder algemene
titel kan worden uitgeoefend.
Vindt verdeling plaats van een gemeenschap die door de deelgenoten onder
bijzondere titel is verkregen, zoals bij een gezamenlijke aankoop van
de verhuurde zaak, dan brengt artikel 3:186 lid 2 mee dat de leveringshandeling
een overgang onder bijzondere titel oplevert die met een overdracht moet
worden gelijk gesteld en als zodanig onder de meer beperkte regel van
artikel 226 valt.
Het voorgaande brengt mee dat het geen aanbeveling verdient om, zoals
voormelde schrijvers voor ogen staat, de verkrijging van de verhuurde
zaak onder algemene titel aan artikel 3:186 lid 3 in verbinding met artikel
6:249 te onttrekken en alsnog onder artikel 226 te brengen. Van enig bezwaar
tegen de huidige regeling is ons niet gebleken en ook voormelde schrijvers
vermelden dergelijke bezwaren niet.
Overdracht of bezwaring van de gehele zaak.
MvT art. 226 en 227:
e. Zoals ook in de redactie van artikel 226 lid 1 tot uiting komt,
geldt het voorgaande slechts voor de situatie dat de gehele zaak wordt
overgedragen of de gehele zaak met een recht van vruchtgebruik, erfpacht
of opstal wordt bezwaard. Daaronder valt ook het geval dat het recht van
vruchtgebruik, erfpacht of opstal ontstaat door een overdracht van de
zaak onder voorbehoud van het betrokken recht op de voet van artikel 3:81
lid 1, tweede zin. In een zodanige overdracht ligt immers een vestiging
van het beperkte recht besloten; men zie Parlementaire geschiedenis Boek
3, Inv. 3, 5 en 6, p. 1196, en artikel 24 lid 4 Kadasterwet waar uitdrukkelijke
vermelding van de vestiging in de in te schrijven akte van levering wordt
geëist. Anders dan Asbreuk-Van Os meent, brengt dit bovendien mee
dat de overdracht niet tot gevolg heeft dat verhuurderspositie op de bloot-eigenaar
overgaat. Dat zou bovendien ook niet met de hiervoor weergegeven strekking
zowel van het huidige artikel 7A:1612 als van artikel 226 te verenigen
zijn.
Bedacht moet echter worden dat de bepaling in zoverre niet uitputtend
is, dat niet is geregeld wat heeft te gelden in geval de overdracht dan
wel de vestiging van het beperkte recht slechts een - wellicht ondergeschikt
- deel van de verhuurde zaak betreft. Asbreuk-Van Os heeft er terecht
de aandacht op gevestigd dat toepassing van de regel van artikel 226 lid
1 op dergelijke gevallen niet tot zinnige resultaten leidt. Artikel 226
lid 1 moet dan ook overeenkomstig de letterlijke bewoordingen zo worden
uitgelegd dat het niet mede dergelijke gevallen bestrijkt. Anderzijds
ligt het voor de hand de regel wel te laten gelden, wanneer de overdracht
vrijwel de hele zaak betreft en slechts een gering deel in handen van
de vervreemder blijft. Waar hier precies de grens ligt, laat de bepaling
evenals het huidige recht aan de praktijk over. Ons is niet gebleken dat
dit ooit tot praktische moeilijkheden heeft geleid.
Opmerking verdient nog dat bij de vestiging van een recht van vruchtgebruik,
erfpacht of opstal nadere afspraken over de bevoegdheid tot verhuren kunnen
worden gemaakt; men zie artikel 3:217 lid 1, 5:94 lid 1 en 5:104 lid 2.
Aldus kan ook meer zekerheid worden geschapen voor wat betreft de overgang
van huur bij vestiging van een beperkt recht dat slechts een deel van
het verhuurde raakt. Artikel 226 lid 4 maakt artikel 226 voor de daar
bedoelde gevallen wel van dwingend recht, maar dat geldt alleen voor partijen
bij de huurovereenkomst.
Overdracht van eigendom of overdracht van een beperkt recht.
MvT art. 226 en 227 (Algemeen):
c. Het is nauwelijks voor bestrijding vatbaar dat de regel van artikel
226 in elk geval behoort te gelden in geval van overdracht van de zaak
waarop de huurovereenkomst betrekking heeft, alsook in geval van overdracht
van een recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal nadat de vruchtgebruiker,
erfpachter of opstaller de zaak heeft verhuurd krachtens zijn uit de artikelen
3:217, 5:94 of 5:104 lid 2 voortvloeiende bevoegdheid daartoe.
Overgang bestaande verhuurderspositie bij vestiging nieuw erfpacht-, vruchtgebruik-
of opstalrecht.
MvT art. 226 en 227 (Algemeen):
c. Het is nauwelijks voor bestrijding vatbaar dat de regel van artikel
226 in elk geval behoort te gelden in geval van overdracht van de zaak
waarop de huurovereenkomst betrekking heeft, alsook in geval van overdracht
van een recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal nadat de vruchtgebruiker,
erfpachter of opstaller de zaak heeft verhuurd krachtens zijn uit de artikelen
3:217, 5:94 of 5:104 lid 2 voortvloeiende bevoegdheid daartoe. Wel maakt
Asbreuk-Van Os bezwaar tegen de overgang van de verhuurderspositie van
de verhuurder-eigenaar op de erfpachter, vruchtgebruiker of opstaller
indien op de zaak een recht van erfpacht, vruchtgebruik of opstal wordt
gevestigd. Daarbij meent zij dat hier iets nieuws wordt ingevoerd. Deze
mening miskent dat de regel neerkomt op een bevestiging van wat ook onder
het huidige recht op grond van uitleg van het weinig duidelijke artikel
7A:1612 in het licht van de in 1992 in werking getreden bepalingen betreffende
voormelde beperkte rechten moet worden aangenomen.
Bij de opstelling van het nieuwe vermogensrecht, zoals dat in 1992 in
werking is getreden, is ervan uitgegaan dat het beginsel van het huidige
artikel 7A:1612 meebrengt dat bij vestiging op de zaak van een beperkt
recht dat aan de beperkt gerechtigde de bevoegdheid geeft die zaak te
beheren en te exploiteren in dier voege dat hij ook recht heeft op de
burgerlijk vruchten, de verhuurderspositie op de beperkt gerechtigde overgaat.
Mede met het oog daarop is bijv. in artikel 3:210 lid 2 bepaald dat de
vruchtgebruiker in beginsel bevoegd is tot ontbinding en opzegging van
overeenkomsten, "wanneer dit tot een goed beheer dienstig kan zijn".
In de Parlementaire Geschiedenis van Boek 3, p. 657, vierde hele alinea,
wordt hier als voorbeeld gegeven "een huurovereenkomst die voor de
vestiging van het vruchtgebruik ten aanzien van het goed is aangegaan,
en waaraan de vruchtgebruiker is gebonden uit hoofd van het beginsel dat
in het huidige recht in artikel 1612 is neergelegd". Een dergelijke
regel ligt ook voor de hand nu de vruchtgebruiker de zaak beheert (artikel
3:207 lid 2), recht heeft op de burgerlijke vruchten en daarmee op de
huur (artikel 3:216), en zelf in beginsel tot verhuring bevoegd is, in
welk geval de hoofdgerechtigde na afloop van het vruchtgebruik de huur
in beginsel gestand dient te doen (artikel 3:217). Bij vestiging van erfpacht
of opstal ligt een dergelijke regel nog meer voor de hand, nu de erfpachter
van de zaak "hetzelfde genot heeft als een eigenaar" (artikel
5:89) en de opstaller van de gebouwen en werken die hij krachtens zijn
recht op de onroerende zaak van een ander mag hebben zelfs eigenaar is.
Vestiging van deze rechten komt derhalve zeer dicht bij een eigendomsoverdracht.
Ook voor de erfpachter en de opstaller wordt trouwens uitdrukkelijk bepaald,
dat zij recht hebben op de vruchten van de zaak waarop hun recht rust
en dat zij in beginsel bevoegd zijn die zaak te verhuren, terwijl de hoofdgerechtigde
na afloop van hun recht in beginsel gehouden is de huur gestand te doen.
Ook de toelichting op het voorontwerp van Boek 7, p. 943, eerste alinea
van punt 13, gaat ervan uit dat de hier besproken regel geldend recht
is. Daaraan doet - anders dan Asbreuk-Van Os meent - niet af dat op p.
944 bij artikel 7.4.4.2 van het voorontwerp wordt gezegd dat de (uitdrukkelijke)
vermelding van de hier bedoelde beperkte rechten aan het Duitse artikel
577 BGB is ontleend. Van meer dan een inspiratiebron is overigens geen
sprake.
De hier bedoelde regel is ook wenselijk, omdat de hoofdgerechtigde na
de vestiging van de onderhavige beperkte genotsrechten, niet meer in de
positie is aan de huurder het hem toekomende gebruik te verschaffen. Wat
het vruchtgebruik betreft, doet daaraan niet af dat de vruchtgebruiker
soms jegens de huurder tot meer verplicht zal zijn dan hij op de hoofdgerechtigde
kan verhalen. De regel wordt dan ook als geldend recht vermeld in bijv.
Handboek Huurrecht, R.A. Dozy, artikel 1612 aantekeningen 4-8, nr 5b;
Dozy en Jacobs, Hoofdstukken Huurrecht, 1994, p. 126, en Snijders-Rank-
Berenschot, Goederenrecht, nr 76.
d. Het voorgaande impliceert dat men niet voldoende aan de gerechtvaardigde
belangen van de huurder tegemoet komt, wanneer men diens bescherming,
met Westrik, uitsluitend zou zoeken in een prioriteitsregel, die erop
neerkomt dat een na de huurovereenkomst tot stand gekomen overdracht of
vestiging van een beperkt zakelijk recht niet aan de huurder kan worden
tegengeworpen, maar dat een eerdere overdracht of een eerder gevestigd
zakelijk recht dat steeds wel kan. Het lijkt ook niet juist dat dit de
"eigenlijke bedoeling " van artikel 1612 zou zijn. Essentieel
is niet de al of niet tegenwerpbaarheid van de overdracht of vestiging,
maar of het verhuurderschap op de verkrijger overgaat, zodat de huurder
niet komt te zitten met een verhuurder die over zaak geen zeggenschap
heeft.
MvT art. 226 en 227 (Algemeen):
f. Anders dan Asbreuk-Van Os tot uitgangspunt neemt, heeft artikel
226, voor wat betreft het opstalrecht, slechts betekenis voor zelfstandige
opstalrechten en niet voor de opstalrechten die als een afhankelijk recht
zijn verbonden aan een erfpacht of een huur of pachtovereenkomst. Dergelijke
afhankelijke opstalrechten zijn in de praktijk van belang voor het wegnemingsrecht
van de erfpachter, huurder of pachter, in het bijzonder bij het einde
hun recht of overeenkomst. Anders dan de schrijfster meent, kan een verhuurder
dan ook zijn huurder niet dwars zitten door dezelfde zaak opnieuw aan
en ander te verhuren, nu met vestiging van een aan die huur verbonden
afhankelijk opstalrecht. De tweede huurovereenkomst kan immers niet tegen
de eerste huurder worden ingeroepen en dus ook het van die huurovereenkomst
afhankelijke opstalrecht niet. Voor het huidige recht moet hetzelfde worden
aangenomen. Om elk misverstand te voorkomen is in bijgaande nota van wijziging
overigens in artikel 226 verduidelijkt dat het om een zelfstandig opstalrecht
moet gaan.
MvA art. 226 en 227 (Algemeen):
3. Vervolgens wordt in de bijdrage veel werk gemaakt van de stelling
dat bij vestiging van erfpacht, vruchtgebruik of opstalrecht op een verhuurde
zaak de bloot-eigenaar verhuurder behoort te blijven. Vooropgesteld moet
worden dat deze stelling van het huidige recht afwijkt. In de literatuur
wordt als vanzelfsprekend aangenomen dat de verhuurderspositie op de erfpachter,
vruchtgebruiker of opstaller overgaat. Men zie Handboek Huurrecht ad artikel
1612, aantekening 4-8, nr. 5b, Dozy en Jacobs, Hoofdstukken Huurrecht,
derde druk, 1999, p. 154, en Snijders-Rank- Berenschot, Goederenrecht,
nr. 76. De door de bijdrage genoemde passage in de Parlementaire Geschiedenis
van Boek 3 (p. 657, vierde alinea) neemt dit met dezelfde mate van vanzelfsprekendheid
aan. Daar wordt immers met zoveel woorden gesproken van een vóór
de vestiging van het vruchtgebruik gesloten huurovereenkomst "waaraan
de vruchtgebruiker is gebonden uit hoofde van het beginsel dat in het
huidige recht in artikel 1612 is neergelegd". Dat, zo een dergelijke
huurovereenkomst vernietigbaar mocht zijn, de bloot-eigenaar en de vruchtgebruiker
op grond van artikel 3:207 lid 2, tweede zin, tezamen moeten optreden
om vernietiging te verkrijgen, is een andere kwestie, die, anders dan
de bijdrage onder 3.3. suggereert, aan het voorgaande niet afdoet. Integendeel:
in het stelsel van de bijdrage zou men verwachten dat de bloot-eigenaar
alleen tot vernietiging kan overgaan, omdat in dat stelsel alleen die
eigenaar de bevoegdheden van een verhuurder heeft. De voormelde vanzelfsprekendheid
ligt om verschillende redenen ook voor de hand. In de eerste plaats zijn
deze beperkt gerechtigden en niet de bloot-eigenaars degenen die de zaak
ter beschikking van de huurder behoren te (blijven) stellen. Aan hen komt
immers in beginsel het houderschap over de aan het beperkte recht onderworpen
zaak toe. Na de vestiging van hun recht zijn zij ook degenen die bevoegd
zijn de zaak te verhuren of te verpachten; men zie de artikelen 3:217,
5:94 en 5:104 lid 2. Ook overigens is het de erfpachter, vruchtgebruiker
of opstaller die krachtens zijn recht de meest ver gaande bevoegdheden
met betrekking tot de zaak heeft en niet de bloot-eigenaar. De beperkt
gerechtigde is met name gerechtigd tot exploitatie van de zaak. Men denke
aan beheer, gebruik en het genereren van opbrengsten. Aan deze beperkt
gerechtigden moet dan ook, zoals de bijdrage trouwens ook zegt, de huur
worden voldaan. Het zou buitengewoon onpraktisch zijn dit stelsel te doorbreken
door de figuur te scheppen van een huurovereenkomst waarbij de bloot-eigenaar
verhuurder is, maar de erfpachter, vruchtgebruiker of opstaller belanghebbende
bij de rechten uit de huurovereenkomst. Bijvoorbeeld wanbetaling door
de huurder treft hen rechtstreeks. Maar zelf zouden zij hiertegen geen
maatregelen kunnen nemen, bijvoorbeeld door ontbinding wegens wanprestatie
te vorderen. Zij worden ook getroffen door op zichzelf wellicht gerechtvaardigde
maatregelen van de huurder als verrekening van kosten van herstel van
gebreken met de huurprijs op grondslag van artikel 206, huurvermindering
wegens gebreken op grondslag van artikel 207 en opschorting van de huurbetaling
op grond van de artikel 6:262. Maar al deze maatregelen zijn in het stelsel
van de bijdrage het gevolg van wanprestatie van de bloot-eigenaar, die
de beperkt gerechtigde waarschijnlijk moeilijk kan voorkomen. Dit alles
werkt ook sterk in het nadeel van de huurder die te maken krijgt met een
bloot-eigenaar die bij nakoming van zijn verhuurdersverplichtingen geen
belang heeft, omdat hij geen recht heeft op de huur, en een beperkt gerechtigde
die door de huurder niet tot enige medewerking gedwongen kan worden, omdat
de huurder op hem geen vordering heeft. Niet juist is dat de bloot-eigenaar
als verhuurder geheel zelfstandig zou kunnen optreden en niet zijnerzijds
medewerking van de beperkt gerechtigde nodig heeft. Deze heeft immers
voor een goed beheer te zorgen, heeft zeggenschap over de wijze van exploitatie
en heeft de uiteindelijke kosten te dragen. De bloot-eigenaar zal in het
stelsel van de bijdrage dan ook de kosten van het herstel van gebreken
en dergelijke op de beperkt gerechtigde kunnen verhalen, maar de vrees
dat niet te kunnen, zal hem hem in de praktijk remmen tot het nodige herstel
over te gaan. Dit alles klemt des te meer in de situatie, die zich bij
vruchtgebruik van een nalatenschap gemakkelijk kan voordoen, dat de bloot
eigendom bij een groot aantal erfgenamen berust, terwijl het vruchtgebruik
in één hand is.
Het stelsel van het huidige recht verdient in het licht van een en ander
verre de voorkeur.
Geen ontbindingsbevoegdheid huurder na overgang verhuurderspositie op
beperkt gerechtigde.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
4. Aandacht verdient nog dat in de bijdrage onder 3.2 een aantal nadelen
wordt genoemd die het huidige stelsel volgens de bijdrage voor de huurder
zou opleveren. Maar deze nadelen berusten ten dele op misverstanden, zijn
voor het overige niet onoverkomelijk en wegen in elk geval niet op tegen
de hiervoor aangegeven bezwaren van het stelsel van de bijdrage. Daarop
zal nu meer in detail worden ingegaan.
Het in de bijdrage onder a vermelde nadeel komt erop neer dat de huurder
na de overgang van de verhuurderspositie op de beperkt gerechtigde geen
ontbinding van de huurovereenkomst meer kan vorderen op grond van wanprestatie
van de eigenaar, ook niet wanneer deze vóór de vestiging
van het beperkte recht ernstig tekort was geschoten. Het is niet geheel
duidelijk waaraan hier is gedacht. In de praktijk heeft de huurder in
het algemeen geen belang bij ontbinding, tenzij het gaat om gedeeltelijk
ontbinding voor een bepaalde tijd teneinde geen huur of minder huur verschuldigd
te zijn, het geval van huurvermindering op grond van artikel 207. Anders
dan de bijdrage kennelijk tot uitgangspunt neemt, valt niet in te zien
waarom de vestiging van het beperkte recht zou beletten dat de huurder
van de eigenaar huurvermindering of ontbinding vordert over de periode
dat de eigenaar verhuurder is geweest, aangenomen dat in die periode een
gebrek bestond waarvan aan de eigenaar kennis was gegeven en dat hij niet
heeft verholpen. Over de periode daarna zal de huurder zijn vordering
tot huurvermindering of ontbinding tegen de beperkt gerechtigde moeten
instellen. De enige verzwaring van de positie van de huurder is derhalve
dat hij door de overgang van het verhuurderschap twee vorderingen moet
instellen in plaats van één, namelijk tegen beide verhuurders,
ieder ter zake van de periode van zijn verhuurderschap.
Verzwaring bewijslast t.a.v. gebrek na overgang verhuurderspositie op
beperkt gerechtigde.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
Het in de bijdrage onder b vermelde nadeel komt erop neer dat de verhuurder
voor schade door na de huurovereenkomst ontstane gebreken slechts aansprakelijk
is als het gebrek aan hem is toe te rekenen en dat de stelplicht en bewijslast
van de huurder door de overgang van het verhuurderschap zwaarder wordt,
omdat hij dan óf de eigenaar óf de beperkt gerechtigde zal
moet aanspreken en daarvoor zal moeten weten wanneer het gebrek precies
is ontstaan. Dit nadeel is maar zeer relatief. De huurder zal in de praktijk
beide verhuurders aanspreken en zich beroepen op het vermoeden van artikel
6:99, dat in de rechtspraak ruim wordt uitgelegd. Overigens veronderstelt
dit dat het gebrek in elk geval aan de verhuurder is toe te rekenen, wat
vaak niet zal vaststaan. In de meeste gevallen van een aanvankelijk verborgen
gebrek zal de verhuurder daarom voor door het gebrek ontstane schade (gevolgschade)
slechts aansprakelijk zijn als hij in verzuim was met het herstel van
het gebrek. Dat brengt mee dat voor de vraag wie aansprakelijk is, niet
het tijdstip van het ontstaan van het gebrek beslissend is, maar het tijdstip
van ingebrekestelling door de huurder van de verhuurder. De stelplicht
en bewijslast van de huurder ter zake van laatst genoemd tijdstip is aanzienlijk
makkelijker dan die ter zake van tijdstip van ontstaan van het gebrek.
Gebrek dat verhuurder kende na overgang verhuurderspositie op beperkt
gerechtigde.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
Het in de bijdrage onder c vermelde nadeel veronderstelt dat in de
huurovereenkomst ten nadele van de huurder is afgeweken van de artikelen
206, 207 en 208 en dat de huurder vervolgens een beroep op artikel 209
wil doen door te betogen dat het gaat om een gebrek dat de verhuurder
bij het aangaan van de overeenkomst kende of had behoren te kennen. De
overgang van het verhuurderschap zou dit betoog onmogelijk maken, omdat
de nieuwe verhuurder (de beperkt gerechtigde) het gebrek bij het aangaan
van de oorspronkelijke overeenkomst niet zal hebben gekend of hebben behoren
te kennen. Hierbij moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat dit geval
zich bij huur van woonruimte in het geheel niet kan voordoen, omdat afwijking
van de artikel 206, 207 en 208 daar volgens artikel 242 in het geheel
niet mogelijk is. In de tweede plaats valt, zoals onder a reeds aangestipt,
niet in te zien dat overgang van het verhuurderschap een vordering tegen
de oorspronkelijke verhuurder tot huurvermindering op grond van artikel
207 over zijn huurperiode niet meer mogelijk zou zijn. Hetzelfde geldt
voor een vordering tot schadevergoeding op grond van een in zijn huurperiode
ontstane aansprakelijkheidsgrond, zoals een bij de aanvang van de huur
bestaand gebrek dat hij kende of had behoren te kennen. De overgang van
het verhuurderschap doet immers reeds ontstane vorderingen op de oorspronkelijke
verhuurder niet tenietgaan.
Geen overgang bijkomstige bedingen na overgang verhuurderspositie op beperkt
gerechtigde.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
Het in de bijdrage onder d vermelde nadeel houdt in dat bijkomstige
bedingen niet op de verhuurder overgaan. Op de vraag of dit een nadeel
voor de huurder of voor de verhuurder is, kan evenwel geen algemeen antwoord
worden gegeven. Het zal van de aard van het beding afhangen. Anders dan
de bijdrage suggereert blijft overigens niet alleen de huurder, maar ook
de oorspronkelijke verhuurder aan het bijkomstige beding gebonden.
Tenietgaan beperkt recht na overgang verhuurderspositie op beperkt gerechtigde.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
Het in de bijdrage onder g genoemde nadeel heeft betrekking op de
gevolgen van artikel 7:3, als voorgesteld bij wetsvoorstel 23 095. De
kritiek op deze bepaling dient in het kader van dat wetsvoorstel aan de
orde te komen. Ervan uitgaande dat artikel 7:3 geldend recht wordt, is
hier het volgende van belang. Inderdaad kan deze bepaling tot gevolg hebben
dat een beperkt recht eindigt, omdat het niet aan de koper kan worden
tegengeworpen. In geval van beëindiging van een beperkt recht op
deze of op andere wijze dient te worden aangenomen dat huur- en pachtovereenkomsten
waarbij de beperkt gerechtigde verhuurder of verpachter was, door de eigenaar
(hoofdgerechtigde) als verhuurder worden voortgezet. Voor wat betreft
door de beperkt gerechtigde gesloten huur- en pachtovereenkomsten wordt
dit uitdrukkelijk bepaald in de artikelen 3:17, 5:94 en 5:104 BW. Voor
door de eigenaar gesloten en vervolgens op de beperkt gerechtigde overgegane
huurovereenkomsten geldt dit a fortiori en dat wel zonder de beperkingen
die in deze drie bepalingen zijn neergelegd. Een redelijke uitleg van
deze bepalingen brengt zulks mee. Het gevolg van artikel 7:3 zal derhalve
zijn dat het verhuurderschap op de koper overgaat, tenzij de huurovereenkomst
na de koop is totstandgekomen.
Verkrijging beperkt recht door verjaring.
MvT art. 226 en 227:
h. (...)
Het door Asbreuk-Van Os ter sprake gebrachte geval van verkrijging van
een beperkt recht door verjaring, behoort in het artikel niet te worden
vermeld. De verkrijgende verjaring heeft tot gevolg dat de verkrijger
geacht wordt gerechtigd te zijn geweest vanaf het moment dat zijn bezit
is begonnen, eventueel op het moment van een gebrekkige vestigings- of
overdrachtshandeling; men zie Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 415.
Wat hier precies heeft te gelden moet aan de algemene beginselen van verkrijging
op grond van verjaring worden overgelaten, die ook dienen te bepalen in
hoeverre de verkrijger na het voltooien van de verjaring aan een door
de werkelijke rechthebbende gesloten huurovereenkomst gebonden is. Het
geval komt rijkelijk academisch voor.
Contractsoverneming.
MvT art. 226 en 227 (Algemeen)
2. In de eerste plaats noemt de bijdrage drie gevallen waarin volgens
de schrijfster het huidige recht de huurder beschermt, maar de artikelen
226 en 227 dit niet doen.
a. Het eerste geval betreft de situatie dat de verhuurder-eigenaar (A)
eerst weet te bereiken dat het huurcontract krachtens contractsoverneming
in de zin van artikel 6:159 van het Burgerlijk Wetboek door een nieuwe
verhuurder (B) wordt overgenomen, en vervolgens de eigendom van de verhuurde
zaak aan een derde (C) overdraagt. Inderdaad is dan artikel 226 op deze
overdracht niet van toepassing, nu A op het moment van de overdracht geen
verhuurder meer was. De huurovereenkomst tussen de huurder en B blijft
bestaan. Naar huidig recht is dit niet anders en van enige moeilijkheid
in de praktijk op dit punt is ons niets bekend. Dit ligt ook voor de hand
omdat voor een contractsoverneming medewerking van alle partijen, dus
ook van de huurder nodig is. Deze vindt daarin voldoende bescherming.
De in de bijdrage geuite vrees dat de huurder gedwongen zal worden bedingen
in zijn huurovereenkomst te aanvaarden die hem bij voorbaat tot medewerking
aan contractsovername zouden verplichten of hem het recht zouden ontnemen
zich daartegen te verzetten, lijkt ons ongegrond. Dergelijke bedingen,
die in de zienswijze van de bijdrage erop gericht zijn de huurder gemakkelijk
tot ontruiming te dwingen, zullen onredelijk bezwarend zijn in de zin
van artikel 6:233, zo zij in algemene voorwaarden voorkomen, terwijl een
beroep daarop ook overigens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zal zijn in de zin van artikel 6:248 lid 2, als daarvan
de bedoeling is de positie van de huurder te verzwakken.
Overigens moet worden bedacht dat contractsovername in het geheel niet
nodig is om te bereiken dat de verhuurder een ander is dan de eigenaar.
De eigenaar die niet zelf wenst te verhuren, kan beter terstond een ander
inschakelen die bij het sluiten van de huurovereenkomst op eigen naam
als verhuurder optreedt. Dit hoeft helemaal niet een verzwakking van de
positie van de huurder mee te brengen. Zo zal een goed beheer kunnen meebrengen
dat juist ter wille van de continuïteit van het verhuurderschap één
rechtspersoon als verhuurder optreedt. Men denke aan het geval dat de
eigendom wordt ingebracht in een beleggingsfonds met meer participanten.
Dat de participanten de huurovereenkomst(en) moeten eerbiedigen, behoeft
niet afzonderlijk te worden bepaald, maar volgt uit de constructie. Heeft
een constructie ten doel om een ontruimingsvordering in te kunnen laten
stellen door iemand die niet aan de huurovereenkomst gebonden is, dan
komt dat neer op een vorm van samenspanning die een onrechtmatige daad
oplevert, zoals kan worden afgeleid uit hetgeen onder de toenmalige Huurwet
al is beslist door de Hoge Raad (7 juni 1957, NJ 1957, 512).
Wij menen derhalve dat het huidige recht hier voldoende is en dat dit
geval geen nadere regeling behoeft.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
Voor zover de bijdrage betoogt dat in de memorie van toelichting bij
artikel 221 (kamerstukken 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 32) sprake is van
een contractsovername die tot overgang van verhuurderschap leidt, berust
zij op een misverstand. Het gaat daar om overgang op een nieuwe huurder,
derde ten opzichte van de oorspronkelijke overeenkomst. Wij zien niet
in dat dit iets te maken heeft met artikel 226, waar het gaat om overgang
op een nieuwe verhuurder. Voor het overige hangt het voorgestelde lid
5 kennelijk samen met opvattingen die hiervoor reeds zijn verworpen.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
Voorts vragen deze leden of wij niet vrezen voor misbruik door de
verhuurder van de mogelijkheid om via contractsoverneming onder de huurbescherming
uit te komen door middel van de volgende constructie: de verhuurder-eigenaar
A draagt het huurcontract met B krachtens contractsoverneming in de zin
van artikel 6:159 BW over op de nieuwe verhuurder C; vervolgens draagt
A de eigendom van de verhuurde zaak over aan D. Volgens deze leden is
ingevolge de nieuwe voorgestelde wettelijke regeling D niet gebonden aan
de huurovereenkomst met B, omdat artikel 226 van wetsvoorstel 26 089 niet
van toepassing is op deze overdracht.
Voorop moet worden gesteld dat de onderhavige kwestie niet door artikel
7:226 in het leven wordt geroepen. Ook het huidige artikel 7A:1612 is
immers in de geschetste situatie niet van toepassing. D wordt geen verhuurder
in de plaats van A, omdat A geen verhuurder meer was. Dat D geen verhuurder
wordt, betekent evenwel nog niet dat de huurder geen bescherming heeft.
Die bescherming zit in het volgende. De contractsoverneming kan niet rechtsgeldig
plaatsvinden zonder dat de huurder meewerkt. Instemming bij voorbaat teneinde
de bescherming van artikel 7A:1612/7:226 te omzeilen zal onredelijk bezwarend
zijn in de zin van artikel 6:233 en dus, als het om algemene voorwaarden
gaat, vernietigbaar zijn, en ook overigens naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid niet aanvaardbaar zijn. Meewerken door D aan constructies
van deze aard moeten voorts jegens de huurder onrechtmatig worden geacht,
zodat D zijn recht niet tegen deze kan inroepen; verwezen moge worden
naar HR 7 juni 1957, NJ 1957, 512. Komt het tot een contractsoverneming,
waarbij de medewerking van de huurder op slinkse wijze is verkregen, dan
zal die medewerking bovendien door de huurder kunnen worden vernietigd
op grond van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden. De vrees
dat de mogelijkheid van contractsoverneming misbruikt kan worden om de
huurder door een derde tot ontruiming te laten dwingen, is dan ook ongegrond.
Verwezen moge ook worden naar Kamerstuk I, 2001/2002, 26 089, 26 090 en
26 932, nr 162, p. 34.
Opmerking verdient nog dat de mogelijkheid het verhuurderschap door contractsoverneming
op een ander te doen overgaan, in de praktijk niet goed kan worden gemist.
Men denke aan het geval van de niet ongebruikelijke figuur van economische
eigendomsoverdracht. Een dergelijke overdracht komt erop neer dat de economische
eigenaar alle eigenaarbevoegdheden die aan de juridische eigenaar toekwamen,
ook die met betrekking tot het gehuurde, kan uitoefenen, maar dat de juridische
levering wordt uitgesteld. Artikel 7A:1612/7:226 is in geval van een economische
eigendomsoverdracht niet van toepassing. De praktijk lost dit op door
de huurovereenkomst krachtens contractsoverneming van de juridische eigenaar
op de economische eigenaar te doen overgaan, waarvoor, zoals gezegd, instemming
van de huurder vereist is. Men zie Dozy en Jacobs, Hoofdstukken Huurrecht,
3e dr. 1999, p. 154; Kantonrechter Utrecht 8 maart 1995, WR 1995, 76,
met noot van A.A.Rueb. Van een gevaar voor doorbreking van de bescherming
van de huurder tegen ontruiming, als door de leden van de VVD-fractie
gevreesd, is, voor zover ons bekend, bij deze praktijk geen sprake.
Ontbindende voorwaarde.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
b. Het tweede hier in de bijdrage genoemde geval betreft vervulling
van een ontbindende voorwaarde waaronder een voorafgaande overdracht heeft
plaats gevonden. Door de vervulling van de voorwaarde valt de eigendom
van de zaak inderdaad van rechtswege van de verkrijger terug naar de vervreemder.
Niettemin moet dit geval met een overdracht worden gelijk gesteld. De
overgang waarvan hier sprake is, ligt immers in de oorspronkelijk voorwaardelijke
overdracht besloten en berust op dezelfde titel, in de praktijk in de
regel de koopovereenkomst waarin de voorwaarde is opgenomen. Dit loopt
ook in de pas met het feit dat de ontbinding naar huidig recht weliswaar
goederenrechtelijke werking, maar geen terugwerkende kracht heeft.
De vervulling van de voorwaarde neemt derhalve niet weg dat de verkrijger
de huurovereenkomst jegens de vervreemder bevoegd heeft gesloten en dat
de huurovereenkomst na die vervulling jegens deze bevoegd gesloten blijft.
Deze uitleg van de bepaling ligt naar onze mening voldoende voor de hand.
Het geval is overigens academisch van aard, nu het in de praktijk van
het huurrecht om huur van onroerende zaken gaat en men in de praktijk
van de handel in onroerende zaken ontbindende voorwaarden pleegt te vermijden
wegens de onwenselijk geachte ingrijpende gevolgen op goederenrechtelijk
terrein.
Uitwinning van de gehuurde zaak door een derde.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
c. Het derde hier in de bijdrage vermelde geval betreft de situatie
dat de zaak executoriaal wordt verkocht door een iemand die geen schuldeiser
van de verhuurder is, maar iemand die verhaal neemt voor een schuld waarvoor
de verhuurder met de verhuurde zaak aansprakelijk is. In het Burgerlijk
Wetboek wordt soms, maar niet altijd tussen verhaal door een schuldeiser
en door een dergelijke verhaalsgerechtigde onderscheiden. In het onderhavige
geval ligt het voor de hand degene jegens wie de verhuurder met de verhuurde
zaak aansprakelijk is, met een schuldeiser van de verhuurder gelijk te
stellen. Voor een à contrario redenering als in de bijdrage voorgestaan
is geen reden.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
Het in de bijdrage onder e vermelde nadeel zou hierin bestaan dat
de bloot-eigenaar in geval van een vordering tot uitwinning van een derde
de huurder beter zou kunnen bijstaan dan de erfpachter, vruchtgebruiker
of opstaller. Kennelijk gaat de bijdrage ervan uit dat de derde de eigendom
van de verhuurde zaak opeist, nadat het beperkte recht is gevestigd. De
vraag is dan of de derde ook een sterker recht heeft dan de beperkt gerechtigde.
Vaak zal dat niet het geval zijn in verband met de bescherming van verkrijgers
van registergoederen op grond van hun goede trouw. Is het recht van de
beperkt gerechtigde inderdaad sterker en is de huur op de beperkt gerechtigde
overgegaan, dan is de huurder in elk geval veilig. Dat is een voordeel
voor de huurder dat in het stelsel van de bijdrage niet bestaat. Is het
recht van derde sterker, dan zal de huurder in zelfde schuitje als de
beperkt gerechtigde zitten en mee kunnen profiteren van diens verdediging.
De vestiging van het beperkte recht zal in de praktijk op koop berusten.
De bloot-eigenaar zal dan de beperkt gerechtigde dienen te vrijwaren op
grond van artikel 7:16 zoals de beperkt gerechtigde de huurder zal hebben
te vrijwaren op grond van artikel 211. Dit alles zal in één
geding met vrijwaring en ondervrijwaring kunnen plaats vinden. Het door
de bijdrage gesuggereerde nadeel bestaat dus niet. Het stelsel van het
huidige recht en van artikel 226 is op dit punt veeleer in het belang
van de huurder.
Geen bijzondere bescherming voor grondeigenaar die erfpacht uitwint voor
canon.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
6. (...)
In de eerste plaats stelt de bijdrage voor artikel 226 aan te vullen met
een nieuw lid 4 dat de grondeigenaar die erfpacht uitwint voor de ter
zake van de erfpacht verschuldigde canon, beschermt door de verkrijger
niet te binden aan een langere huur dan die met het plaatselijk gebruik
overeenstemt en aan ongewone voorwaarden. Wij menen evenwel dat er onvoldoende
reden is om juist de grondeigenaar een bijzondere bescherming als schuldeiser
te geven, die andere schuldeisers missen. De artikelen 5:92 en 93 geven
de grondeigenaar reeds een zekere mate van bescherming. Voor het overige
dient hij in geval van benadeling in zijn verhaalsmogelijkheden, zoals
alle schuldeisers, gebruik te maken van de mogelijkheden die de artikelen
3:45-48 BW en 42-45 Faillissementswet hem bieden. Verwezen moge verder
worden naar wat wij reeds hebben uiteengezet in de nota naar aanleiding
van het verslag aan de Tweede Kamer ter zake van wetsvoorstel 26 089,
p. 33-34. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat het tot een onnodig gecompliceerd
stelsel leidt, wanneer de huurovereenkomst jegens een schuldeiser (de
grondeigenaar) maar ten dele kan worden ingeroepen, maar jegens andere
schuldeisers die zich eveneens op de erfpacht willen verhalen, volledig
kan worden ingeroepen, omdat voor hen geen bijzondere bepaling geldt.
Dat de huidige praktijk tot dergelijk stelsel zou noodzaken, is ons niet
gebleken. Voorts wordt voorgesteld aan artikel 226 een vijfde lid toe
te voegen dat een aantal moeilijk te overziene gevallen betreft die zich
naar onze mening in de huidige praktijk niet voordoen. Voor zover de bepaling
tot uiting wil brengen dat de bloot-eigenaar gebonden is aan door de beperkt
gerechtigde bevoegdelijk gesloten huurovereenkomsten is de bepaling overbodig.
Dit vloeit immers al voort uit de artikelen 3:217, 5:94 en 5:104.
Beginsel 'overdracht breekt geen huur' geldt ook voor verhuur roerende
zaken.
MvT art. 226 en 227:
i. Tenslotte verdient nog aandacht dat de artikelen 226 en 227 mede
voor huur van roerende zaken gelden, zoals dat ook met het huidige artikel
7A:1612 het geval is. Er is in 1992 geen reden gezien hiervan af te wijken,
hoewel de vervanging van de voordien gebruikelijk zekerheidseigendom door
een bezitloos pandrecht daartoe aanleiding had kunnen zijn. Ook is bij
de regeling van het bezitloos pand in afdeling 3.9.2 geen bepaling als
artikel 3:264 opgenomen. Daarbij is gedacht aan ondernemingen die hun
bedrijf maken van het verhuren van bepaalde roerende zaken (verhuur van
auto's of fietsen, leasecontracten). De bedrijfsvoering van dergelijke
ondernemingen zou in gevaar komen, als het mogelijk zou zijn dat dergelijke
huurovereenkomsten zouden kunnen worden doorbroken door een pandhouder,
die in de praktijk vaak ook beschermd wordt doordat hij ook een pandrecht
op de vorderingen ter zake van de huur- of leasetermijnen heeft. Tot nu
toe is niet gebleken van een praktische behoefte aan andere regels op
dit punt.
Vestiging van een beperkt recht op een toekomstige roerende zaak.
MvT art. 226 en 227:
h. (...)Bij de door de schrijfster genoemde "vestiging van een
beperkt recht bij voorbaat" op een roerende zaak kan slechts worden
gedacht aan vruchtgebruik of pandrecht. Werd tevens eerder bij voorbaat
verhuurd, dan zal op het tijdstip van de daadwerkelijke verkrijging door
de hoofdgerechtigde de vruchtgebruiker krachtens artikel 226 lid 1 verhuurder
worden. Is de huurovereenkomst na de vestiging bij voorbaat gesloten,
dan rijst de vraag of de hoofdgerechtigde de vruchtgebruiker nog aan de
huurovereenkomst kon binden. Overeenkomstige toepassing van artikel 3:97
lid 2 leidt tot de slotsom dat dit niet het geval is. Gaat het om een
pandrecht, dan zal de pandhouder zowel bij een eerdere als bij een latere
huurovereenkomst op de regel van artikel 226 lid 2 stuiten. Een toekomstig
pandrecht is immers uit zijn aard bezitloos en laat derhalve de bevoegdheid
van de pandgever tot verhuring van de zaak in stand. Tegen al te bezwarende
huurovereenkomsten zal de pandhouder, zoals onder g reeds aan de orde
kwam, kunnen optreden met de pauliana.
Lid 2 (art. 7:226 BW)
| Lid 2. Overdracht door een schuldeiser
van de verhuurder wordt met overdracht door de verhuurder gelijkgesteld. |
Hoofdregel: Hypotheekhouder (en koper bij executie) moet een ouder én
jonger huurrecht tegen zich laten gelden.
MvT art. 226 lid 2:
4. Aandacht verdient dat de regel van lid 2 niet zonder belangrijke
uitzonderingen is. Men zie de regeling van het huurbeding bij hypotheek
van art. 3:264 en voor executie door een gewone schuldeiser art. 505 lid
2 Rv. Men moet de regel van lid 2 dan ook zien als een principiële
hoofdregel die het uitgangspunt van de twee hiervoor genoemde bijzondere
bepalingen is.
MvT art. 226 en 227 (hier t.a.v. huurbeding):
Zoals in de memorie van toelichting bij artikel 226 wordt aangestipt,
dient artikel 3:264 als een bijzonder regel te worden beschouwd, die in
het onderhavige wetsvoorstel niet opnieuw aan de orde wordt gesteld. De
beschouwingen van Westrik grijpen terug op een oud, inmiddels achterhaald
discussiepunt. Vóór 1992 is herhaaldelijk betoogd dat een
dergelijk beding (toen vermeld in artikel 1230) overbodig is, omdat de
goederenrechtelijke prioriteitsregel al meebrengt dat hypotheekhouder
niet gebonden is aan latere huurovereenkomsten, zij het wel aan eerdere.
Deze leer is evenwel ondubbelzinnig verworpen in HR 14 mei 1976, NJ 1977,
150, eerste rechtsoverweging, zulks overeenkomstig de uitvoerige conclusie
van A.G. Ten Kate, p. 534-535, waarin ook artikel 3.9.4.8 (het huidige
artikel 3:264) ter sprake komt. Nu nadien het vereiste van een beding
als bedoeld in artikel 3:264 is gehandhaafd, moet worden aangenomen dat
in het huidige recht, zo geen beding als daar bedoeld is gemaakt, de bevoegdheid
de wijze van exploitatie van het goed te bepalen bij de eigenaar-hypotheekgever
is gebleven in dier voege dat deze ook na de vestiging van de hypotheek
bevoegd blijft huurovereenkomsten te sluiten waarvoor ook in geval van
gedwongen verkoop door de hypotheekhouder de regel van artikel 7A:1612
meebrengt dat ook de koper ter executie aan de huurovereenkomst gebonden
is. In verband hiermee sluit ook artikel 226 lid 2, dat mede verkoop door
een hypotheekhouder omvat, aan bij het huidige recht, zij het dat het
huurbeding in de praktijk mee pleegt te brengen dat de hypotheekhouder
de zaak vrij van de huurovereenkomst kan executeren.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
Het in de bijdrage onder f vermelde nadeel gaat uit van het geval
dat op de verhuurde zaak eerst een hypotheek wordt gevestigd of beslag
wordt gelegd en daarna een beperkt recht wordt gevestigd, dat derhalve
bij executie niet aan de hypotheekhouder of beslaglegger kan worden tegengeworpen.
De bijdrage veronderstelt dat in deze situatie de executoriale verkoop
vrij van huur kan plaats vinden, hoezeer de hypotheekhouder of beslaglegger
aanvankelijk ook aan de immers oudere huur gebonden was. De bijdrage wil
dit afleiden uit het enkele feit dat de beperkt gerechtigde verhuurder
werd en daarna het beperkte recht vervalt. De hele veronderstelling is
evenwel onjuist. De huurovereenkomst kan aan de hypotheekhouder worden
tegengeworpen op grond van artikel 3:264 BW. Evenzo kan de huurovereenkomst
aan de beslaglegger worden tegengeworpen op grond van artikel 505 van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat brengt mee dat in beide
gevallen de executoriale verkoop in verhuurde staat dient plaats te vinden.
Uit artikel 226 lid 2 volgt dan dat de nieuwe eigenaar verhuurder wordt.
Dat de beperkt gerechtigde, wiens recht vervalt, tot het tijdstip van
dit vervallen als verhuurder is opgetreden, doet daaraan niet af, nu de
executoriale verkoop en derhalve de overdracht aan de nieuwe eigenaar
mede zijn recht omvat. Ook dit nadeel bestaat dus niet.
Uitzondering: Hypotheekhouder met huurbeding (en koper bij executie) behoeft
jonger huurrecht niet tegen zich te laten gelden.
MvT art. 226 en 227 (hier t.a.v. huurbeding):
Voor zover Westrik het huurbeding bij hypotheek in zijn beschouwingen
betrekt, geldt het volgende. In de praktijk wordt bij de vestiging van
een hypotheek steeds het huurbeding van artikel 3:264 gemaakt, waarvan
de werking - grof gezegd - erop neerkomt dat de hypotheekhouder een na
de vestiging van zijn recht gesloten huur niet dan binnen bepaalde grenzen
tegen zich hoeft te laten gelden.
[Art. 3:264 BW: Huurbeding.
'1. Indien de hypotheekakte een uitdrukkelijk beding bevat waarbij
de hypotheekgever in zijn bevoegdheid is beperkt, hetzij om het bezwaarde
goed buiten toestemming van de hypotheekgever te verhuren of te verpachten,
hetzij ten aanzien van de wijze waarop of van de tijd gedurende welke
het goed zal kunnen worden verhuurd of verpacht, hetzij ten aanzien
van de vooruitbetaling van huur- en pachtpenningen, hetzij om het
recht op de huur- of pachtpenningen te vervreemden of te verpanden,
kan dit beding niet alleen tegen latere verkrijgers van het goed,
maar ook tegen de huurder of pachter en tegen degene aan wie het recht
op de huur- of pachtpenningen werd vervreemd of verpand, worden ingeroepen,
zulks zowel door de hypotheekhouder, als na de uitwinning van het
bezwaarde goed door de koper, dit laatste echter alleen voorzover
deze bevoegdheid op het tijdstip van de verkoop nog aan de hypotheekhouder
toekwam en deze de uitoefening daarvan blijkens de verkoopvoorwaarden
aan de koper overlaat.
2. De inroeping kan niet geschieden, voordat het in art. 544 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde exploit van aanzegging
of overneming is uitgebracht. De bepalingen betreffende vernietigbaarheid
zijn van toepassing met dien verstande dat de termijn van artikel
52 lid 1 loopt vanaf de voormelde aanzegging of overneming en dat
een in strijd met het beding gekomen rechtshandeling slechts wordt
vernietigd ten behoeve van degene die het inroept, en niet verder
dan met diens recht in overeenstemming is.
3. Indien het beding is gemaakt met betrekking tot hoeven of los land,
heeft het slechts werking voorzover het niet in strijd is met enig
dwingend wettelijk voorschrift omtrent pacht. Zodanig beding heeft
geen werking, voorzover de grondkamer bindend aan de pachtovereenkomst
een daarmee strijdige inhoud heeft gegeven, dan wel het beding niet
kon worden nageleefd, omdat de grondkamer een wijzigingsovereenkomst
die aan het beding beantwoordde, heeft vernietigd. Een beding dat
de hypotheekgever verplicht is hoeven voor kortere tijd dan twaalf
jaren en los land voor kortere tijd dan zes jaren te verpachten, is
nietig.
4. Indien het beding is gemaakt met betrekking tot huur van woonruimte
of huur van bedrijfsruimte, heeft het slechts werking, voorzover het
niet in strijd is met enig dwingend wettelijk voorschrift omtrent
zodanige huur. Het beding dat de verhuur van woonruimte of bedrijfsruimte
uitsluit, kan niet tegen de huurder worden ingeroepen, voorzover de
woonruimte of bedrijfsruimte ten tijde van de vestiging van de hypotheek
reeds was verhuurd en de nieuwe verhuring niet op ongewone, voor de
hypotheekhouder meer bezwarende voorwaarden heeft plaatsgevonden.
5. Voorzover een beroep op een beding tot gevolg zal hebben dat de
huurder van woonruimte (....) moet ontruimen, kan het beding slechts
worden ingeroepen nadat de president van de rechtbank daartoe op verzoek
van de hypotheekhouder verlof heeft verleend. Het verlof is niet vereist
ten aanzien van een huurovereenkomst met vernietiging waarvan de huurder
schriftelijk heeft ingestemd of die is totstandgekomen na de bekendmaking,
bedoeld in artikel 516 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. De president verleent het verlof, tenzij ook met instandhouding
van de huurovereenkomst kennelijk een voldoende opbrengst zal worden
verkregen om alle hypotheekhouders die het beding hebben gemaakt en
dit jegens de huurder kunnen inroepen, te voldoen. Zo hij het verlof
verleent, veroordeelt hij tevens de opgeroepen of verschenen huurders
en onderhuurders tot ontruiming en stelt hij een termijn vast van
ten hoogste één jaar na de betekening aan de huurder
of onderhuurder van zijn beschikking, waarbinnen geen ontruiming mag
plaatsvinden. Tegen een beschikking waarbij het verlof wordt verleend,
staan geen hogere voorzieningen open.
7. Indien het recht van de huurder of pachter door vernietiging krachtens
lid 2 verloren gaat, wordt aan hem uit de bij de executie verkregen
netto-opbrengst van het goed met voorrang onmiddellijk na hen tegen
wie hij zijn recht niet kon inroepen, een vergoeding uitgekeerd ten
bedrage van de schade die hij als gevolg van de vernietiging lijdt.
Is de koper bevoegd het beding in te roepen, dan wordt van hetgeen
aan de schuldeisers met een lagere rang toekomt, een met de te verwachten
schade overeenkomend bedrag gereserveerd, totdat vaststaat dat de
koper van zijn bevoegdheid geen gebruikmaakt.
8. Onder de huurder in de zin van dit artikel wordt begrepen degene
die ingevolge [de wet] medehuurder is'.] |
Meer hypotheekhouders (met huurbeding) en het recht van de huurder met
een (jonger) huurrecht.
MvT art. 226 en 227 (hier t.a.v. huurbeding):
Anders dan Westrik meent, is de kwestie niet van belang voor een redelijke
uitleg van de rangordebepaling van artikel 3:264 lid 7. Zijn op een zaak
twee hypotheken gevestigd en gaat de eerste hypotheekhouder tot executie
over onder inroeping van het huurbeding jegens een huurder wiens huurovereenkomst
na de vestiging van de tweede hypotheek werd gesloten, dan komt de huurder
bij de verdeling na de beide hypotheekhouders, ook al heeft de tweede
hypotheekhouder zelf geen beroep op het huurbeding in zijn eigen hypotheekakte
kunnen doen, omdat hij nu eenmaal geen executant was. Men zie R.L. Albers-Dingemans,
Incidenten bij de afwikkeling van verkoop en overdracht, preadvies K.N.B.,
1998, p. 44.
Brief van de minister d.d. 2 april 2001 art. 226 lid 2:
2. Mevrouw Swildens-Rozendaal heeft mij verder gevraagd wat heeft
te gelden, als de eerste hypotheekhouder het huurbeding niet heeft gemaakt
en de tweede wel, terwijl de eerste tot executie overgaat. In de praktijk
komt dat niet voor, omdat het huurbeding steeds gemaakt wordt, juist om
te zorgen dat de hypotheekhouder niet in een ongelukkige positie komt,
als een andere hypotheekhouder die het beding wel maakte, daarop een beroep
doet. Wel kan zich iets vergelijkbaars voordoen. Het kan zijn dat de eerste
hypotheekhouder afstand doet van een beroep op het beding, omdat zijn
vordering ook bij verkoop in verhuurde staat ruimschoots uit de opbrengst
zal kunnen worden voldaan. De tweede hypotheekhouder zou hiervan de dupe
kunnen worden, omdat die opbrengst niet voldoende is om ook hem te voldoen.
De oplossing kan dan worden gevonden in zijn bevoegdheid om artikel 517
lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toe te passen, dat
blijkens artikel 546 Rv. ook bij executie door een hypotheekhouder van
toepassing is. Dit brengt mee dat de tweede hypotheekhouder op grond van
artikel 518 zich tot de president van de rechtbank kan wenden met het
verzoek de veilcondities aldus te wijzigen dat vrij van huur verkocht
wordt. De opbrengst moet dan aldus worden verdeeld dat eerst wordt berekend
wat aan de eerste hypotheekhouder moet worden voldaan, vervolgens wat
van het overblijvende aan de tweede moet worden voldaan en daarna wat
op grond van artikel 264 lid 7 van het dan nog overblijvende aan de huurder
toekomt. Wordt de huurder aldus niet volledig voldaan, dan wordt de rest
aan hem voldaan uit de portie van de eerste hypotheekhouder. Op grond
van artikel 3:264 lid 7 gaat zijn recht immers boven dat van de eerste
hypotheekhouder, maar komt het na dat van de tweede. In het academische
geval dat de eerste hypotheekhouder in het geheel geen huurbeding heeft
gemaakt, kan dezelfde weg worden gevolgd. Zou de eerste hypotheekhouder
om de huurder te sparen niet tot executie willen overgaan, dan kan de
tweede hypotheekhouder de executie overnemen op grond van artikel 545
Rv.
Bescherming van de huurder tegen huurbeding.
Brief van de minister d.d. 2 april 2001 art. 226 lid 2:
Ik vraag voorts aandacht voor het feit dat de hypotheekhouder in feite
een schuldeiser is die zich tegen benadeling door zijn schuldenaar kan
beschermen door diens rechtshandelingen te vernietigen door middel van
de pauliana, sinds 1992 te vinden in de artikelen 3:45-48. Artikel 3:264
is aan deze figuur nauw verwant, evenals het voorafgaande artikel 1230
(oud). Artikel 3:264 is in zijn uitwerking dan ook op de pauliana geënt.
Dat brengt mee dat de huurovereenkomst niet verder kan worden vernietigd
dan voor de opheffing van het nadeel van de hypotheek nodig is (lid 2).
Dat betekent dat de hypotheekhouder niet vrij van huur kan verkopen als
de te verwachten opbrengst in verhuurde staat voldoende is om hem te voldoen.
Daarin is een belangrijke bescherming van de huurder gelegen. In het stelsel
van het proefschrift is dit niet van belang en hoeft hypotheekhouder het
recht van een jongere huurder nooit te respecteren, zij het dat de schrijver
op p. 330 aan de hypotheekhouder een bevoegdheid wil geven om "het
verbondene in verhuurde staat over te dragen".
Een andere belangrijke bescherming van de huurder van woon- of bedrijfsruimte
is gelegen in artikel 3:264 lid 4. Wordt de hypotheek gevestigd op een
tijdstip waarop het goed reeds was verhuurd, dan is de voormelde belangenafweging
aldus uitgevallen dat ook latere huurders worden beschermd. Enerzijds
was de financiering door de hypotheekhouder hier kennelijk afgestemd op
de woon- of bedrijfsruimte in verhuurde staat. Anderzijds zal een opvolgende
huurder geneigd zijn te denken dat hij veilig kan huren wat al verhuurd
was. Deze bescherming van de huurder berust overigens mede op soortgelijke
overwegingen als de opzeggingsbescherming die bij huur van woonruimte
en bedrijfsruimte nodig is geoordeeld en in de onderhavige wetsvoorstellen
is gehandhaafd: de behoefte aan continuïteit is hier groter dan elders.
Het proefschrift heeft voor deze afweging geen oog, maar wijst de bepaling
af op dogmatische gronden (p. 328).
Schuldeisersbenadeling ('pauliana') door sluiten van ongunstige huurovereenkomst.
MvT art. 226 en 227:
g. Vervolgens heeft Asbreuk-Van Os gewezen op het feit dat de bepaling
van artikel 226 lid 2 eventuele schuldeisers ernstig kan benadelen in
geval de huurovereenkomst voor een bepaalde zeer lange termijn wordt gesloten
tegen een naar verhouding lage huur of met vooruitbetaling van de huur
in een bedrag ineens. Een dergelijke figuur levert niet alleen een ernstige
benadeling op van de door haar genoemde gevallen van de hoofdgerechtigde
bij erfpacht, de pandhouder en de retentor, maar raakt in beginsel alle
concurrente en preferente crediteuren. De remedie die het huidige recht
daartegen biedt, is gelegen in vernietiging op grond van de pauliana,
als geregeld in de artikelen 3:45-48 BW en 42-45 Faillissementswet. Bij
een normale overeenkomst zal overigens van enige benadeling geen sprake
behoeven te zijn. In het geval dat huur een redelijke wijze van exploitatie
van de zaak is en het huurniveau daarmee in overeenstemming is, zal het
bestaan van de huurovereenkomst de waarde van de verhuurde zaak als verhaalsobject
veeleer kunnen verhogen. Afgezien van de bijzondere gevallen van huur
van woonruimte en van bedrijfsruimte, is een huurovereenkomst gewoonlijk
op een redelijke termijn opzegbaar. Naar mate de huurovereenkomst hiervan
afwijkt door langdurige onopzegbaarheid, uitzonderlijk lage huur of vooruitbetaling
van grote bedragen, zal het bewijs van de voor de pauliana vereiste wetenschap
van benadeling van schuldeisers gemakkelijker worden. Voor de vraag waar
hier de grens ligt, kan mede op de artikelen 3:217 lid 2 en 5:94 lid 2
worden gelet. Wij zien geen goede grond om voor de door Asbreuk-Van Os
genoemde gevallen bijzondere regels op te nemen.
Dogmatische benadering (prioriteitsregel) versus praktische benadering
(huurbeding).
Brief van de minister d.d. 2 april 2001 art. 226 lid 2:
1. Mevrouw Swildens-Rozendaal en de heer Weekers hebben mij gevraagd
om commentaar op hoofdstuk 10 van het proefschrift van de heer Westrik,
getiteld "Koop breekt geen huur en het huurbeding". Ik begin
met erop te wijzen dat hier bedoeld is het huurbeding bij hypotheek geregeld
in artikel 264 van Boek 3 BW. De hoofdstelling van het proefschrift is
dat artikel 3:264 kan vervallen, in het bijzonder voor wat de leden 1-4
betreft. De schrijver leidt dit af uit zijn opvatting van de regel "koop
breekt geen huur", zoals deze volgens hem moet worden uitgelegd.
Hij betoont zich voorstander van een "enge uitleg". Daarmee
bedoelt hij dat de regel "koop breekt geen huur" niet kan worden
ingeroepen door een huurder wiens huurovereenkomst na de hypotheek is
tot stand gekomen. Deze enge uitleg grondt de schrijver op een door hem
voorgestaan algemeen beginsel, dat bestaande goederenrechtelijke rechten
gerespecteerd dienen te worden. Dit algemene beginsel moet volgens hem
ook voor een huurovereenkomst gelden, hoewel het daarbij om een persoonlijk
recht gaat. Op p. 309 onderscheidt de schrijver dit algemene beginsel
scherp van de prioriteitsregel uit het goederenrecht die meebrengt dat
als op één goed meer beperkte rechten worden gevestigd,
het oudste goederenrechtelijke recht boven het jongste gaat. Deze regel
pleegt men te gronden op de gedachte dat iemand niet meer rechten kan
overdragen dan hijzelf heeft. Zij is in het BW niet uitdrukkelijk neergelegd,
maar volgt uit het stelsel van het wetboek, zoals uiteengezet in de Parlementaire
Geschiedenis van Boek 5, p. 3, punt 4. Daarbij gaat het om de artikelen
3:8, 3: 81 en 3:98. Deze regel geldt niet voor persoonlijke rechten, waarop
deze bepalingen geen betrekking hebben. Dat hoeft ook niet, omdat persoonlijke
rechten niet tegen derden werken. Juist daarom wordt de huurder tegen
later op hetzelfde goed gevestigde beperkte rechten beschermd door de
regel "koop breekt geen huur", als uitgewerkt in de artikelen
226 en 227. Het door de schrijver voorgestane algemene beginsel is nieuw.
Dat beginsel is lastig van de prioriteitsregel te onderscheiden, omdat
deze vaak aldus wordt omschreven dat de rechthebbende op het jongere goederenrechtelijke
recht het oudere moet eerbiedigen, zoals artikel 3:81 het zegt; derhalve
dezelfde formulering als de schrijver voor zijn eigen algemene beginsel
bezigt. Als wettelijke grondslag voor het door hem voorgestane algemene
beginsel beroept de schrijver zich bovendien op dezelfde artikelen als
waaruit blijkens de parlementaire geschiedenis de prioriteitsregel volgt,
te weten de artikelen 3:8 en 3:98 (p. 309).
Bovendien is de aanpak van de schrijver in een tweede opzicht nieuw.
Hij ziet de verhouding tussen hypotheek en een latere huurovereenkomst
niet primair als een vraag betreffende de omvang van een hypotheekrecht,
maar als een kwestie van ruime of beperkte uitleg van de regel "koop
breekt geen huur". Het uitgangspunt van artikel 3:264 is evenwel
dat de hypotheek de eigenaar niet belemmert in zijn bevoegdheid tot exploitatie
van het goed en dat het hypotheekrecht in beginsel niet het recht omvat
het goed vrij van huur te verkopen. Dat is slechts anders als het in dat
artikel bedoelde beding is gemaakt, wat overigens altijd gebeurt.
Tegen de aanpak van de schrijver heb ik twee principiële bezwaren.
In de eerste plaats is de door de schrijver ontwikkelde regel vooralsnog
geen gemeengoed. Ook als zij goed verdedigbaar zou zijn, wat aan de wetenschap
moet worden overgelaten, zou het uit een oogpunt van wetgeving niet verantwoord
zijn voor wat betreft de verhouding tussen hypotheek en latere huurovereenkomsten
op deze regel te vertrouwen en die verhouding op die grond in de wet ongeregeld
te laten. Ook valt vooralsnog niet te overzien wat de consequenties van
deze regel op andere gebieden zouden zijn. De regel houdt verband met
de begrenzing tussen goederenrecht en verbintenissenrecht, wat een omstreden
terrein is. Dat betekent dat voormelde verhouding uitdrukkelijk en nauwkeurig
in de wet geregeld dient te worden, zoals in artikel 3:264, met name in
de leden 1-4 is gebeurd.
Mijn tweede principiële bezwaar tegen de aanpak van de schrijver
is, dat zijn betoog geheel op dogmatische gronden berust, terwijl het
bij de verhouding tussen hypotheek en huurovereenkomst om een gedetailleerde
afweging gaat tussen belangrijke maatschappelijke belangen, te weten de
belangen aan de zijde van de hypotheekhouders die samenhangen met de functie
van de hypotheek als financieringsinstrument voor onroerende zaken en
de belangen van de huurders van dergelijke zaken bij de continuïteit
van hun woongenot of hun bedrijf. Deze belangenafweging heeft in het gehele
artikel 3:264 vorm gekregen in dier voege dat de belangen van de huurders
zoveel mogelijk worden ontzien. Bovendien is hier grote behoefte aan rechtszekerheid,
juist met het oog op het gewicht van die belangen. Daarmee is geheel in
strijd de details aan een dogmatische regel over te laten, waarvan niet
verwacht mag worden dat zij onbestreden zal blijven, in plaats van precies
te regelen wat de hypotheekhouder moet doen om zijn in artikel 3:264 bedoelde
rechten in te roepen, in hoeverre de koper dat ook kan als de hypotheekhouder
zijn recht niet heeft ingeroepen, op welk tijdstip de inroeping mag geschieden,
in welke vorm zij moet geschieden en wat de gevolgen van die inroeping
zijn. Artikel 3:264 geeft op al die punten een regeling. Daarbij is van
belang dat al die punten in het recht van voor 1992 ongeregeld waren gebleven
en daar tot veel discussie en rechtspraak hebben geleid. Ik teken daarbij
aan dat, te oordelen naar de na 1992 gepubliceerde rechtspraak, de stroom
van uitspraken over het huurbeding bij hypotheek vrijwel is gestopt. Ook
klachten uit de praktijk van notariaat of banken zijn uitgebleven.
Brief van de minister d.d. 2 april 2001 art. 226 lid 2:
Het resultaat van de voorstellen van de schrijver is dus dat de positie
van de huurder niet onaanzienlijk wordt verzwakt. Een motivering waarom
die verzwakking uit maatschappelijk oogpunt wenselijk is, ontbreekt echter.
Rest mij nog iets te zeggen over het feit dat in artikel 3:264 de constructie
van een beding is gekozen. Deze constructie gaat ervan uit dat een hypotheekrecht
zonder dat beding niet de bevoegdheid omvat om vrij van huur te verkopen,
ook niet als het een latere huurovereenkomst betreft. Dat brengt mij op
de wetshistorie op dit punt, waarnaar door de heer Biesheuvel is gevraagd.
De constructie van het huurbeding is afkomstig van artikel 1230 (oud)
BW, de voorganger van artikel 3:264. Die constructie was onder het oude
recht omstreden, een strijd die het proefschrift in wezen met andere middelen
voortzet. Bij het ontwerpen van de wetgeving, die in 1992 in werking is
getreden moest derhalve een keuze worden gemaakt tussen handhaving van
de bedingconstructie met uitdrukkelijke regeling van alle knelpunten die
aan licht gekomen waren, of invoering van een nieuwe constructie die erop
neer zou komen dat de inhoud van wat nu artikel 3:264 is geworden, niet
in een beding zou behoeven te staan, maar rechtstreeks in de wet zou worden
opgenomen. Over de regeling van het nieuwe hypotheekrecht is in verschillende
stadia overleg met de praktijk gevoerd. Dat overleg heeft geleid tot een
voorkeur voor de eerste constructie, die overeenstemde met de uitleg van
het toen geldende recht door de Hoge Raad in zijn arrest van 14 mei 1976,
NJ 1977, 150. Aldus werd ten opzichte van het oude recht minder overhoop
gehaald. Bovendien vond men het met oog op de rechtszekerheid verstandig
om partijen door een uitdrukkelijk beding in hun hypotheekakte te confronteren
met de bevoegdheden van de hypotheekhouder ter zake van latere huurovereenkomsten.
Bedacht moet worden dat artikel 3:264 niet alleen latere huurovereenkomsten
betreft, maar ook het na de vestiging van de hypotheek vooruitbetalen
van huur alsmede cessie en verpanding van huurpenningen, ongeacht of de
huurovereenkomst waaruit de vooruitbetaalde huur of gecedeerde of verpande
huurpenningen voortvloeien, jonger of ouder dan de hypotheek is. Ook daarvan
dienen partijen zich bewust te zijn.
De conclusie van dit alles moet zijn dat in artikel 3:264 een evenwichtige
regeling wordt gegeven, waarin tevens een aantal knopen is doorgehakt.
Er is geen aanleiding om naar aanleiding van het proefschrift die knopen
opnieuw door te hakken, maar nu op andere wijze. Dat wordt niet anders,
doordat het proefschrift een verdienstelijke bijdrage aan het wetenschappelijk
debat levert. Voor wat betreft de artikel 226 e.v. van wetsvoorstel 26
089 leidt dit tot de conclusie dat er geen reden is voor wijziging.
MvA Eerste Kamer art. 226 (Algemeen):
Tenslotte wordt een nieuw artikel 226 lid 6 voorgesteld dat alleen
van pandrecht spreekt, maar ook op hypotheek en beslag schijnt te slaan.
Voor zover het hypotheek en beslag betreft is de bepaling overbodig naast
de artikel 3:264 BW en artikel 505 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Voor zover het pandrecht betreft, brengt de bepaling een wijziging in
het huidige recht aan, die bij de invoering van het nieuwe vermogensrecht
in 1992 onwenselijk is geacht. Een bepaling als artikel 3:264 is toen
immers wel bij hypotheek, maar niet bij pandrecht opgenomen. Daarvoor
zijn goede argumenten aan te voeren. Verwezen moge worden naar de nota
naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer betreffende wetsvoorstel
26 089, p. 35, onder i. Men kan hier wellicht verschillend over denken,
maar er is geen reden de op dit punt eenmaal door gehakte knoop thans
opnieuw door te hakken, maar nu anders. Van enige moeilijkheid in de praktijk
is ons niet gebleken. Dat de regeling van het bezitloos pandrecht een
met de vroegere zekerheidseigendom corresponderende bescherming beoogt
te geven, wil niet zeggen dat er geen enkel verschil is. Overigens betwijfelen
wij of zekerheidseigendom van voor verhuur bestemde roerende zaken onder
het oude recht werkelijk meebracht dat de zekerheidseigenaar de betreffende
huurovereenkomsten eenvoudigweg naast zich neer kon leggen.
Lid 3 (art. 7:226 BW)
| Lid 3 . De verkrijger wordt slechts
gebonden door die bedingen van de huurovereenkomst, die onmiddellijk
verband houden met het doen hebben van het gebruik van de zaak tegen
een door de huurder te betalen tegenprestatie. |
Leaseovereenkomsten
MvT art. 226 lid 3:
5. De TM zegt met een beroep op de rechtspraak dat een koopoptie onvoldoende
verband met "het gebruik van de zaak tegen een door de huurder te
betalen prijs" vertoont. Die opmerking is evenwel achterhaald voor
de talrijke gevallen waarin het door de huurder periodiek te betalen bedrag
een element van een gebruiksvergoeding en een element van een vergoeding
voor de uiteindelijke verkrijging in zich bergt. Bij leaseovereenkomsten
zal zich dit in de regel voordoen. Overdracht door de eigenaar-lessor
behoort niet tot een splitsing van de overeenkomst te leiden in dier voege
dat de optie de zaak tegen een symbolische som of tegen vergoeding van
de restwaarde over te nemen ineens vervalt, omdat zij niet mee overgaat.
De maatstaf van lid 3 is evenwel, wanneer men zich het voorgaande realiseert,
ook voor deze gevallen juist; bij dit soort koopopties is wel degelijk
aan de eis van voldoende verband voldaan. Daaraan doet niet af dat de
TM met gevallen als hiervoor genoemd nog geen rekening hield. bijzonder
p. 82-83, waar zulks nog nader wordt uitgewerkt. Zoals daar ook wordt
gezegd, gaat het hier om een beginsel dat voor de omvang van de werking
van alle in Boek 7 geregelde benoemde overeenkomsten van belang is en
waarop de regelingen van die overeenkomsten dan ook zijn afgestemd.
Borgtocht.
MvT art. 226 lid 3:
3. De Commissie heeft ook gevraagd of een voor de huurbetaling verleende
borgtocht mee over gaat. Een dergelijke overgang vloeit reeds voort uit
artikel 6:142, nu het hier om een nevenrecht ten opzichte van het overgegane
recht op huurbetaling gaat. Dat wil niet zeggen dat de borgtocht ook overgaat,
wanneer zij slechts is verleend aan de verhuurder persoonlijk. De aard
van een dergelijke borgtocht brengt mee dat zij tenietgaat, wanneer de
oorspronkelijke verhuurder volledig is voldaan. Is dat het geval, dan
komt men aan de toepassing van artikel 6:142 niet toe, omdat de borgtocht
reeds heeft opgehouden te bestaan.
Lid 4 (art. 7:226 BW)
| Lid 4. Bij huur van een gebouwde
onroerende zaak of een gedeelte daarvan alsmede van een woonwagen
in de zin van artikel 235 en van een standplaats in de zin van artikel
236, kan niet van de voorgaande leden worden afgeweken. |
MvT art. 226 lid 4:
4. Bij de beantwoording van de door de Commissie gestelde vragen moet
worden vooropgesteld dat het dwingend maken van artikel 226 voor gebouwde
onroerende zaken samenhangt met het feit dat voor de huur van deze zaken
een dwingendrechtelijk regime bestaat dat niet door middel van echte of
gefingeerde overdrachten van het gehuurde moet kunnen worden ontgaan.
Men denke hierbij niet alleen aan de doorkruising van de opzeggingsbescherming
bij de huur van woonruimte en van bedrijfsruimte in de zin van wetsvoorstel
26 932, maar ook aan het omzeilen van de voor andere gebouwde onroerende
zaken geldende ontruimingsbescherming van artikel 230a, zoals eveneens
in voornoemd wetsvoorstel vervat. Daarin ligt besloten dat er inderdaad
reden is het dwingendrechtelijk karakter van artikel 226 niet op ongebouwde
onroerende zaken te betrekken, nu zich daar niet dezelfde behoefte aan
dwingend recht voordoet. De door de Commissie geciteerde retorische vraag
moet in dat licht worden gezien.
Het kan inderdaad gebeuren dat een ondernemer uitsluitend grond huurt,
zodat geen huur van bedrijfsruimte tot stand komt en derhalve geen bescherming
ontstaat, ook niet de ontruimingsbescherming van artikel 230a. Deze situatie
is geheel in overeenstemming met wat in het huidige recht geldt. Het is
ons niet gebleken dat voor deze situatie een bijzondere regel nodig is.
Toelichting art. 7:227 BW (art. 7.4.4.2)
| Art. 7:227 BW In geval van vestiging
of overdracht van een beperkt recht op de verhuurde zaak, dat niet
onder artikel 226 lid 1 is begrepen, is de gerechtigde jegens de huurder
verplicht zich te onthouden van een uitoefening van dat recht, die
het gebruik door de huurder belemmert. |
MvT art. 227:
Uit deze bepaling volgt dat degene die een erfdienstbaarheid op een
reeds verhuurd erf verkrijgt, deze erfdienstbaarheid niet zo mag uitoefenen
dat hij de huurder in diens recht om het genot van de zaak te hebben,
beperkt. Zo zal ook een hypotheekhouder die jegens de eigenaar van de
verhypothekeerde zaak zijn bevoegdheid uit een beding als bedoeld in art.
3:267 gebruik wil maken, dit niet zo mogen doen dat hij een huurder wiens
huur van voor de vestiging van de hypotheek dateert, in diens genot van
de zaak belemmert. Hetzelfde geldt voor degene die de erfdienstbaarheid
of de hypotheek heeft verkregen door overdracht, d.w.z., nu het hier om
afhankelijke rechten in de zin van art. 3:82 gaat, door overdracht van
het heersende erf dan wel door overdracht van de vordering waarvoor de
hypotheek tot zekerheid dient.
MvT art. 226 en 227 (Algemeen):
h. Tenslotte zijn door voormelde schrijvers met betrekking tot artikel
227 nog enkele opmerkingen gemaakt, die met het voorgaande verband houden.
Ook wordt in bijgaande nota van wijziging een aanpassing van het artikel
voorgesteld, die eveneens uit het voorgaande voortvloeit.
Wat dit laatste betreft, wordt thans met name voorgesteld de aanhef van
het artikel te lezen als "In geval van vestiging of overdracht van
een beperkt recht op de verhuurde zaak, dat niet onder artikel 226 lid
1 is begrepen, is de gerechtigde ..." Deze redactie omvat niet alleen
de in artikel 226 lid 1 niet genoemde beperkte rechten (erfdienstbaarheden,
pand, hypotheek), maar tevens de beperkte rechten, die in artikel 226
lid 1 wel worden genoemd, maar niet de gehele zaak bezwaren; men zie hiervoor
onder e. De bepaling van artikel 227 moet uiteraard ook voor dergelijke
rechten gelden.
Bovendien brengt de voorgestelde redactie duidelijker tot uiting dat
zij slechts geldt voor na de huurovereenkomst gevestigde beperkte rechten.
Belemmeringen in het gebruik van het gehuurde op grond van vóór
de huurovereenkomst gevestigde beperkte rechten zal de huurder reeds hebben
te aanvaarden op grond van de hoofdregel dat obligatoire overeenkomsten
niet tegen derden werken. Daarbij verdient echter aantekening dat, zoals
hiervoor al aangestipt, na de vestiging van hypotheek en ook na die van
bezitloos pandrecht, de eigenaar in beginsel tot verhuring bevoegd blijft
en derhalve ook tot het verschaffen aan de huurder van het gebruik van
de zaak. Wel geldt hier echter, zo het tot executie komt, de regel van
artikel 226 lid 2 en voor de hypotheekhouder bovendien de bijzondere regeling
van artikel 3:264. Deze bepalingen kunnen naar gelang van de omstandigheden
ook door een latere huurder worden ingeroepen. Zoals Asbreuk-Van Os terecht
heeft opgemerkt is de opmerking over artikel 3:264 in de memorie van toelichting
bij artikel 227, p. 36, in verband met dit laatste enigszins misleidend:
lid 4 bevat geen anciënniteitsregel, maar maakt beslissend of ten
tijde van de vestiging van de hypotheek reeds - kort gezegd - op soortgelijke
voet was verhuurd, in welk geval ook latere huurders worden beschermd.
Toelichting art. 7:228 BW (art. 7.4.4.3)
Art. 7:228 BW - 1. Een huur voor
bepaalde tijd aangegaan, eindigt, zonder dat daartoe een opzegging
vereist is, wanneer die tijd is verstreken.
- 2. Een huur voor onbepaalde tijd aangegaan of voor onbepaalde tijd
verlengd eindigt door opzegging. Heeft de huur betrekking op een onroerende
zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte is, dan dient de opzegging
te geschieden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een
termijn van tenminste een maand. |
MvT art. 228:
1. Het onderscheid tussen schriftelijke en mondelinge huur, dat ten
grondslag ligt aan de huidige art. 7A:1606 en 1607, is verlaten. Het stelsel
dat voor opzegging geldt, wordt daardoor eenvoudiger. Ten opzichte van
het OM is het nog wat verder vereenvoudigd door met name de tweede zin
van het tweede lid te beperken tot onroerende zaken die noch woonruimte,
noch bedrijfsruimte zijn. De regel van aanvullend recht die daarvoor geldt,
kan simpel blijven.
2. Er is van afgezien om, zoals het OM deed, een maximum opzegtermijn
op te nemen. Voor huur van woonruimte en huur van bedrijfsruimte gelden
bijzondere, meer gedetailleerde regels; men zie voor woonruimte art. 271.
De gevallen van huur van roerende zaken lopen te zeer uiteen om zich voor
een algemene regel te lenen.
3. Een opzegging op een te korte termijn zal vaak niet nietig zijn maar
op grond van art. 3:42 kunnen worden geconverteerd in een geldige opzegging
tegen een later tijdstip.
Toelichting art. 7:229 BW (art. 7.4.4.5)
Lid 1 (art. 7:229 BW)
| Lid 1. De dood van de huurder of
de verhuurder doet de huur niet eindigen. |
MvT art. 229 lid 1:
1. Het artikel volgt in hoofdzaak art. 7A:1611. Voor wat betreft de
dood van de verhuurder spreekt de regel vanzelf. Voor wat betreft de dood
van de huurder is er meer reden voor twijfel, maar er mag toch van worden
uitgegaan dat huurovereenkomst in de regel niet met het oog op de persoon
van de huurder worden aangegaan. Dezelfde gedachte ligt ten grondslag
aan art. 221 waar de huurder in beginsel de bevoegdheid tot onderverhuren
wordt toegekend.
4. Zie ook art. 268, waar voor woonruimte een bijzondere regel wordt
gegeven.
Lid 2 (art. 7:229 BW)
| Lid 2. Indien de erfgenamen van de
huurder niet bevoegd zijn de zaak aan een ander in gebruik te geven,
kunnen zij gedurende zes maanden na het overlijden van hun erflater
de overeenkomst op een termijn van tenminste een maand opzeggen. |
MvT art. 229 lid 2:
2. Het bezwaar dat de erfgenamen van de huurder wellicht niet weten
wat ze met de zaak aanmoeten, wordt ondervangen, wanneer de bevoegdheid
tot onderverhuren niet is uitgesloten. Een nadere regel is daarom alleen
gegeven voor het geval deze bevoegdheid ontbreekt. De erfgenamen kunnen
dan ingevolge lid 2 gedurende zes maanden na het overlijden van de erflater
de overeenkomst opzeggen. Bestaat de bevoegdheid tot onderverhuren, dan
is het redelijk dat de verhuurder erop mag vertrouwen dat de overeengekomen
huurperiode wordt afgemaakt.
Nota n.a.v. Verslag art. 229 lid 2:
Bij het tweede lid heeft de Commissie de vraag gesteld waarom in het
tweede lid ook voor de huur die niet betrekking heeft op bedrijfsruimte
of woonruimte (maar bijv. op roerende zaken) is afgeweken van de regel
dat de rechten en verplichtingen van de erflater ongewijzigd overgaan
op zijn erfgenamen. Daaraan heeft de Commissie de vraag verbonden of toegelicht
kan worden waarom de verhuurder het risico moet dragen van het overlijden
van de huurder.
Niet kan worden gezegd dat de verhuurder het "risico" moet
dragen van het overlijden van de huurder. Veeleer berust de onderhavige
bepaling op een belangenafweging, die rekening houdt met de uiteenlopende
aard van de belangen aan de zijde van de verhuurder en aan de zijde van
de erfgenamen van de huurder. De hoofdregel van het eerste lid is dat
die erfgenamen aan de huurovereenkomst gebonden zijn. Het is evenwel zeer
de vraag of zij bij voortzetting van de huurovereenkomst niet in een onevenredig
ongunstige positie geraken doordat zij enerzijds huur dienen te betalen
en anderzijds de beschikking over een zaak krijgen die zij zelf helemaal
niet gebruiken. In beginsel hebben zij een dergelijk ongunstige positie
te aanvaarden, waarbij meeweegt dat zij een zekere compensatie voor de
door hen te betalen huur kunnen verkrijgen door de zaak tegen betaling
ter beschikking te stellen aan een derde. Is echter ook dit uitgesloten,
omdat de huurovereenkomst dat niet toelaat, dan dienen de erfgenamen de
mogelijkheid te hebben zich uit deze positie te bevrijden. Het tweede
lid doet dit door gedurende zes maanden na het overlijden van de oorspronkelijke
huurder opzegging op de termijn van een maand mogelijk te maken. Ook dit
legt het risico van overlijden van de huurder niet op de verhuurder, maar
komt neer op een verdeling van de gevolgen van het overlijden over beide
partijen. De belangenafweging is betrokken op alle huurovereenkomsten,
inclusief de huur van roerende zaken, nu daarvoor dezelfde overwegingen
gelden. Zou een regeling achterwege worden gelaten, dan zou dit bovendien
tot onzekerheid leiden, omdat dan nog altijd de weg open staat van wijziging
of ontbinding van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden
naar de maatstaf van artikel 6:258.
4. Zie ook art. 268, waar voor woonruimte een bijzondere regel wordt
gegeven.
Lid 3 (art. 7:229 BW)
| Lid 3. Indien een huurder twee of
meer erfgenamen nalaat, is de verhuurder verplicht zijn medewerking
te verlenen aan de toedeling van de rechten en verplichtingen van
de overleden huurder uit de huurovereenkomst door de gezamenlijke
erfgenamen aan een of meer van hen, tenzij de verhuurder tegen een
of meer van de aangewezenen redelijke bezwaren heeft. |
MvT art. 229 lid 3:
3. Tenslotte is in lid 3 nog een oplossing gegeven voor het geval
dat er meer erfgenamen zijn en de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst
in aanmerking komen om aan een van hen te worden toegedeeld. Daarvoor
is medewerking van de verhuurder vereist; vergelijk art. 3:186 in verbinding
met art. 6:159. Bij de term "redelijke bezwaren" denke men aan
mogelijke bezwaren, gelegen in de financiële armslag van de betreffende
erfgenaam of aan bezwaren tegen diens persoon bijv. in verband met de
vrees dat hij het gehuurde door onvoorzichtig gedrag zal beschadigen of
medehuurders overlast zal bezorgen. Lid 3 maakt hem tot een zodanige medewerking
verplicht, mits hij tegen de als huurder aangewezen erfgenaam geen redelijke
bezwaren heeft. De medewerking kan worden afgedwongen doordat een rechterlijke
uitspraak wordt uitgelokt, die op de voet van van art. 3:300 daarvoor
in de plaats treedt.
4. Zie ook art. 268, waar voor woonruimte een bijzondere regel wordt
gegeven.
Toelichting art. 7:230 BW (art. 7.4.4.6)
| Art. 7:230 BW Indien na afloop van
een huurovereenkomst de huurder met goedvinden van de verhuurder het
gebruik van het gehuurde behoudt, wordt daardoor, tenzij van een andere
bedoeling blijkt, de overeenkomst, ongeacht de tijd waarvoor zij was
aangegaan, voor onbepaalde tijd verlengd. |
MvT art. 230:
1. De bepaling komt in de plaats van de art. 7A:1609 en 1623, maar
geeft een aanzienlijk eenvoudiger regeling. Zij bevat een weerlegbaar
vermoeden dat, zo de huurder na afloop van de huurtijd met goedvinden
van de verhuurder in het genot van het gehuurde blijft, partijen bedoelen
hun overeenkomst op dezelfde voorwaarden voor onbepaalde tijd voort te
zetten.
2. De vraag hoe het staat met de bevoegdheid de verlengde huurovereenkomst
op te zeggen wordt beantwoord door art. 228 lid 2.
3. Voor een uitvoerige uiteenzetting van de wijze waarop het voormelde
weerlegbare vermoeden moet worden opgevat en gehanteerd, moge worden verwezen
naar de TM, p. 948-951.
Nota n.a.v. Verslag art. 230:
2. De bepaling belet niet dat een huurder na ontbinding van de huurovereenkomst
nog enige tijd het gebruik van het gehuurde behoudt met het vonnis als
stok achter de deur dat hij zich aan het vonnis houdt. Dit is een ander
geval dan dat de huurder het gebruik van het gehuurde behoudt "met
goedvinden van de verhuurder". Het gedogen van het voortgezet gebruik
is hier immers in belangrijke mate gericht op het voorlopig niet ten uitvoer
leggen van het vonnis waartoe de verhuurder zich evenwel het recht voorbehoudt.
Pas indien de verhuurder zijn recht tot tenuitvoerlegging van het vonnis
zou prijs geven of dit recht zou hebben verwerkt, doet zich de in artikel
230 bedoelde situatie voor.
Naar onze mening wordt het onderhavige punt niet verduidelijkt door het
door de Vereniging van Huurrechtadvocaten gesuggereerde redactievoorstel,
dat bovendien de bepaling juist in ander opzicht minder duidelijk zou
maken, doordat zij suggereert dat de bepaling alleen geldt voor huurovereenkomsten
die voor een bepaalde tijd zijn gesloten. Zij geldt evenwel ook voor het
geval een huurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan en vervolgens
is opgezegd, waarna de verhuurder evenwel niet doorzet, maar de huurder
het gebruik ongestoord laat voortzetten. Verwezen moge worden naar de
toelichting op het voorontwerp bij artikel 7.4.4.6, p. 948, punt 1, waar
zulks wordt uiteengezet. Het wetsvoorstel wijkt op dit punt derhalve af
van het huidige artikel 7A:1608, dat na opzegging een stilzwijgende wederinhuring
geheel uitsluit. Deze regel houdt onvoldoende rekening met het geval dat
het ook na opzegging aan de verhuurder vrij staat een voortgezet gebruik
goed te vinden en dat er geen reden is waarom de huurder een dergelijk
goedvinden niet uit zijn gedragingen zou mogen afleiden, al zal dit, zoals
in de toelichting op het voorontwerp wordt gezegd, niet vaak voorkomen.
Het zal ook niet te snel mogen worden aangenomen.
MvA art. 230
De leden van de CDA-fractie vroegen met het oog op de bewijslastverdeling
of wij de zorg voor de processuele positie van de verhuurder delen. Bij
deze vraag hadden deze leden de situatie op het oog, dat door de verhuurder
een vonnis wordt verkregen waarbij de huurovereenkomst is beëindigd,
maar de verhuurder de huurder voorlopig in het gehuurde laat met het vonnis
als stok achter de deur dat hij zich aan het vonnis houdt. Hetzelfde geldt
voor de kritiek van Aedes, waarvoor de leden van de PvdA-fractie aandacht
vroegen, en de leden van de fracties van SGP en ChristenUnie, die bij
dit artikel vroegen hoe er verlengd kan worden indien de huurovereenkomst
door een rechterlijk vonnis is ontbonden. Het voorbeeld dat hier in het
bijzonder aandacht vraagt is het geval dat de overeenkomst is beëindigd
wegens niet betaling van de huur. De verhuurder laat de huurder dan na
het verkrijgen van het ontruimingsvonnis met rust, zolang deze stipt op
tijd de huur betaalt. In een dergelijke situatie is er geen reden voor
het beperkt op te vatten vermoeden van de hoofdzin van artikel 230. Uit
de beschreven situatie - een door de verhuurder verkregen vonnis dat hem
een recht geeft op ontruiming dat hij niet wil prijs geven - blijkt afdoende
dat de verhuurder de huurder aan het ontruimingsvonnis wil houden. Hier
blijkt derhalve van een andere bedoeling dan een verlenging van de oorspronkelijke
overeenkomst voor onbepaalde tijd.
Bij het vermoeden van de hoofdzin is dan ook gedacht aan andere gevallen,
in het bijzonder aan het geval van een huurovereenkomst voor bepaalde
tijd die door het verstrijken van die tijd eindigt en waarin geen bepaling
is opgenomen met betrekking tot een eventuele voortzetting. Ook is de
bepaling van toepassing in het geval van een huurovereenkomst voor onbepaalde
tijd die door een enkele opzegging eindigt, met name wanneer vervolgens
partijen stilzwijgend de bestaande situatie laten voortduren. Een en ander
brengt mee dat zij voor huur van woonruimte of bedrijfsruimte nauwelijks
van praktisch belang is. De bepaling vervangt de huidige artikel 7A:1609
en 1623, die geen thans nog hanteerbare regels geven. De toelichting op
artikel 7.4.4.6 van het voorontwerp voor Boek 7, waaraan de bepaling is
ontleend, legt er de nadruk op dat zij slechts beperkte betekenis heeft,
zodat het daarin neergelegde vermoeden snel voor duidelijke aanwijzing
van het tegendeel zal moeten wijken.
Toelichting art. 7:230a BW
Art. 7:230a BW - 1. Heeft
de huur betrekking op een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan
en is die zaak of dat gedeelte noch woonruimte, noch bedrijfsruimte
in de zin van deze titel, dan kan de huurder na het einde van de huurovereenkomst
de rechter verzoeken de termijn waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden,
te verlengen. Het verzoek moet worden ingediend binnen twee maanden
na het tijdstip waartegen schriftelijk ontruiming is aangezegd. Bevoegd
is de rechter in wiens rechtsgebied de onroerende zaak is gelegen.
- 2. Het eerste lid geldt niet in geval de huurder zelf de huur heeft
opgezegd, uitdrukkelijk in de beëindiging daarvan heeft toegestemd
of veroordeeld is tot ontruiming wegens niet nakoming van zijn verplichtingen.
- 3. De verhuurder kan niet verlangen dat de huurder voor het einde
van de in lid 1 bedoelde termijn tot ontruiming overgaat. De indiening
van het verzoek schorst de verplichting om tot ontruiming over te
gaan, totdat op het verzoek is beslist.
- 4. Het verzoek wordt slechts toegewezen indien de belangen van de
huurder en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd,
door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de verhuurder
bij voortzetting van het gebruik door de huurder. Het verzoek wordt
niettemin afgewezen, indien de verhuurder aannemelijk maakt dat van
hem wegens onbehoorlijk gebruik van het verhuurde, wegens ernstige
overlast, de medegebruikers dan wel hemzelf aangedaan, of wegens wanbetaling
niet gevergd kan worden dat de huurder langer het recht op het gebruik
van de zaak of gedeelte daarvan behoudt.
- 5. De verlenging kan worden uitgesproken voor een termijn van ten
hoogste een jaar na het eindigen van de overeenkomst. Deze termijn
kan op verzoek van de huurder nog tweemaal telkens met ten hoogste
een jaar worden verlengd. Het verzoek tot verlenging moet uiterlijk
een maand voor het verstrijken van de termijn worden ingediend. Lid
2, tweede zin, en lid 3 zijn van toepassing.
- 6. Zo partijen het niet eens zijn over de som die de huurder gedurende
de termijn waarmee de verlenging heeft plaats gevonden, voor het gebruik
van de zaak of gedeelte daarvan verplicht is te betalen, stelt rechter
deze som vast op een, gezien het huurpeil ter plaatse, redelijk bedrag.
Hij kan, zo een der partijen dit verzoekt, te dier zake een voorlopige
voorziening treffen. Voor het overige blijven gedurende deze termijn
de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst tussen partijen
van kracht.
- 7. Bij afwijzing van het verzoek stelt de rechter het tijdstip van
ontruiming vast. De beschikking geldt als een veroordeling tot ontruiming
tegen dat tijdstip.
- 8. Tegen een beschikking krachtens dit artikel staat geen hogere
voorziening open. |
MvT art. 230a:
Deze bepaling, brengt de ontruimingsbescherming die de huidige Huurwet
in zijn artikelen 28 c-28 HW in geval van huur van een gebouwde onroerende
zaak of een deel daarvan aan de huurder biedt, over naar titel 7.4 van
het Burgerlijk Wetboek. De regeling is materieel niet veranderd, behoudens
dat de termijn het eerste lid een enigszins ander karakter heeft gekregen.
Voorts kon een aantal processuele voorschriften worden weggelaten, omdat
de verzoekschriftprocedure van de artikelen 429a e.v. reeds een afdoende
regeling bevat.
De aangebrachte redactionele verduidelijkingen behoeven geen toelichting.
Aantekening verdient dat de redactie van artikel 28d lid 4 Huurwet, waar
wordt gezegd dat de kantonrechter het verzoek op de daar bedoelde gronden
kan "afwijzen", niet volledig terugkeert in artikel 230a lid
4, tweede zin, nu het met de aard van deze gronden niet goed te verenigen
is dat het verzoek toch zou kunnen worden toegewezen hoewel vaststaat
dat een zodanige grond zich voordoet. Voorts is in de eerste zin van artikel
230a lid 4 tot uiting gebracht dat ook de belangen van eventuele onderhuurders
aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd in de afweging betrokken moeten
worden.
Nota n.a.v. Verslag art. 230a lid 1:
Een huurovereenkomst met betrekking tot de in het onderhavige artikel
bedoelde gebouwde onroerende zaken eindigt op de wijze als geregeld in
artikel 7:228, zoals voorgesteld in wetsvoorstel 26 089. Met de zinsnede
"na het einde van de huurovereenkomst" in het eerste lid van
onderhavige bepaling wordt dan ook bedoeld, nadat de huurovereenkomst
geëindigd is door het verstrijken van de overeengekomen tijd (artikel
7:228 lid 1) of na opzegging tegen een voor huurbetaling overeengekomen
dag op een termijn van tenminste een maand (artikel 7:228 lid 2, slotzin).
Het is derhalve overbodig dit in het onderhavige artikel nog eens tot
uitdrukking te brengen.
Voorts is in overeenstemming met het antwoord in dit verslag bij artikel
291 de slotzin van het eerste lid in bijgaande nota van wijziging vervangen
door: Bevoegd is de rechter in wiens rechtsgebied de onroerende zaak gelegen
is.
Nota n.a.v. Verslag art. 230a lid 2:
Het onderhavige lid is overeenkomstig het voorstel van de Commissie
aangepast in bijgaande nota van wijziging.
Nota n.a.v. Verslag art. 230a lid 4:
De onderhavige bepaling ziet op het geval dat de rechter de huurder
de ontruimingsbescherming onthoudt, omdat de verhuurder dan wel de medegebruikers
van de bedrijfsruimte ernstige overlast van de huurder ondervinden. Het
zou te ver voeren de huurder deze bescherming te onthouden, indien de
verhuurder dan wel de medegebruikers van de bedrijfsruimte geen overlast
van de huurder ondervinden, doch slechts omwonenden. Vinden derden overlast
van de huurder dan dienen zij hiertegen met behulp van de regeling van
de onrechtmatige deed op te treden.
Nota n.a.v. Verslag art. 230a lid 6:
In de eerste plaats moet vooropgesteld worden dat de huurcommissies
een instrumentarium vormen voor de bewindspersoon belast met de zorg voor
de volkshuisvesting, ter ondersteuning van het beleid ter zake. De taken
van de huurcommissie krachtens de Wet op de huurcommissies zijn om die
reden op een enkele uitzondering na overgenomen in wetsvoorstel 26 090
(artikelen 4 en 5), met dien verstande evenwel dat de bepaling niet terugkeert,
dat de huurcommissie voorts de taken verricht die haar bij of krachtens
de Huurwet zijn opgedragen (artikel 3 lid 3 Wet op de huurcommissies).
In het licht van de huidige en toekomstige werkzaamheden van de huurcommissies
past een adviserende taak als bedoeld in artikel 28 e lid 2, die immers
alleen betrekking heeft op als bedrijfsruimte aan te merken gebouwde onroerende
zaken niet goed. Deze taak is een overblijfsel van het oude stelsel zoals
dat in de Huurwet van 1950 gold, waarin de huuradviescommissies de huurder
en verhuurder alsmede de rechter adviseerden over huurprijsaangelegenheden
betreffende alle gebouwde onroerende zaken. Na het overhevelen in 1971
van de zogenoemde middenstandsbedrijfspanden van de Huurwet naar artikel
1624 e.v. van het BW hebben de toenmalige huuradviescommissies op verzoek
van de toenmalige bewindspersoon belast met de volkshuisvesting gedurende
een overgangsperiode desverzocht nog aan de rechter adviezen verstrekt
over laatstbedoelde panden. Aan het einde van de zeventiger jaren zijn
bij de totstandkoming van de Huurprijzenwet woonruimte en de Wet op de
huurcommissies de huurcommissies, wier taak veel verder ging dan de strikt
adviserende rol van de huuradviescommissies, in het leven geroepen en
de huuradviescommissies afgeschaft. Met betrekking tot huur van bedrijfsruimte
in de zin van artikel 1624 BW hebben de huurcommissies tot 1 april 1980
op verzoek van de rechter op vrijwillige basis nog adviezen verstrekt,
maar sinds 1981 hebben, zoals hiervoor ook al is opgemerkt bij artikel
304, alle Kamers van Koophandel en Fabrieken met het oog op deze aflopende
vrijwillige adviserende taak op verzoek van de staatssecretaris van Economische
Zaken bedrijfshuuradviescommissies in het leven geroepen. Slechts op het
terrein van de huur van gebouwde onroerende zaken, niet zijnde woonruimte
dan wel 1624-bedrijfsruimte (dit zijn derhalve bijvoorbeeld kantoren,
fabrieken, pakhuizen, praktijkruimten, autostallingen), is de huurcommissie
nog belast met de vroegere werkzaamheden van de huuradviescommissie terzake
van advisering van de rechter. Uit de jaarverslagen van de huurcommissies
blijkt evenwel dat van deze niet volkshuisvestelijke taak, waarvoor de
huurcommissies ook eigenlijk niet meer is toegerust, zelden gebruik wordt
gemaakt. Naast het formele aspect dat deze taak niet op het terrein van
de volkshuisvesting ligt, heeft dit materiële aspect inzake de toerusting
van de huurcommissies ertoe geleid dat de zinsnede "na ingewonnen
advies van de huurcommissie bedoeld in artikel 2 van de Wet op de huurcommissies"
in de onderhavige bepaling niet terugkeert. Terzijde zij opgemerkt dat
de rechter natuurlijk altijd een deskundige kan benoemen om te adviseren
alvorens een beslissing te nemen.
MvA art. 230a, 262, 291 BW en 37 UHW:
De leden van de PvdA-fractie vroegen hoe de bevoegdheid in huurzaken
geregeld zal worden.
Naar aanleiding van de behandeling van de onderhavige wetsvoorstellen
in de Tweede Kamer hebben wij de wetsvoorstellen inzake de herziening
van het procesrecht nader bekeken en zijn wij tot de slotsom gekomen dat
in huurzaken de exclusieve bevoegdheid van de rechter binnen wiens rechtsgebied
het gehuurde object is gelegen, de voorkeur verdient. In het voorstel
tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht
voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste
aanleg (Kamerstukken II, 2000/2001, 27 824, nrs. 1-3) is met het oog daarop
artikel 2.2.5 gewijzigd en na artikel 3.2.2 - zoals voorgesteld in het
wetsvoorstel tot herziening van het procesrecht (Kamerstukken II, 1999/2000,
26 855) - een nieuw artikel 3.2.2a ingevoegd.
Voorts zal artikel 2.2.10 worden aangepast. In wetsvoorstel 27 824 wordt
tenslotte voorgesteld de derde zin van het eerste lid van artikel 230a,
het tweede lid van artikel 262 en de tweede zin van het tweede lid van
artikel 291 te laten vervallen.
Toelichting art. 7:231 BW
Lid 1 (art. 7:231 BW)
| Lid 1. Ontbinding van een huurovereenkomst
met betrekking tot een gebouwde onroerende zaak alsmede een woonwagen
in de zin van artikel 235 en een standplaats in de zin van artikel
236 op de grond dat de huurder tekortgeschoten is in de nakoming van
zijn verplichtingen, kan slechts geschieden door de rechter, behoudens
in het geval van lid 2 en van artikel 210. |
MvT art. 231:
Het artikel veralgemeent wat voor het huidige recht voortvloeit uit
art. 7A:1623n lid 1 en 1636 lid 1. Het maakt tevens art. 7.4.3.4 OM overbodig.
Het tweede lid is toegevoegd naar aanleiding van de parlementaire behandeling
van wetsvoorstel 24 699 betreffende de bevoegdheid van de burgemeester
om zg. drugspanden te sluiten. Als de burgemeester hiertoe overgaat, moet
de verhuurder de mogelijkheid hebben de huurovereenkomst te ontbinden
zonder rechterlijke tussenkomst.
Nota n.a.v. Verslag art. 231 lid 1:
1. De Commissie heeft bij dit artikel gevraagd waarom - kort gezegd
- het eerste lid niet ook geldt in het geval van artikel 210, eerste lid,
en voorts ook of de regel voor roerende zaken niet te ver gaat.
De tweede vraag moet aldus worden beantwoord dat het voor huur en verhuur
van roerende zaken in het algemeen te ver zou gaan om voor ontbinding
van de zijde van de verhuurder steeds een rechterlijke uitspraak te eisen.
Artikel 231 lid 1 geldt daarom, wat roerende zaken betreft, uitsluitend
voor woonwagens in de zin van artikel 235. Voor het overige geldt het
voor gebouwde onroerende zaken en standplaatsen in de zin van artikel
236.
Wat de eerste vraag betreft, verdient het volgende opmerking. De uitzondering
strekt ertoe dat in het zeer evidente geval van artikel 210 lid 1 buitengerechtelijke
ontbinding op de voet van artikel 6:267 moet kunnen volstaan. De reden
waarom ontbinding bij buitengerechtelijke verklaring in artikel 231 lid
1 is uitgesloten is gelegen in het feit dat in de daar bedoelde gevallen
een dwingendrechtelijke opzeggingsbescherming (huur woonruimte en huur
bedrijfsruimte) of ontruimingsbescherming (huur andere gebouwde onroerende
zaken) geldt, die niet buiten de rechter om door middel van een ontbinding
op grond van wanprestatie moet kunnen worden doorkruist. In het geval
van artikel 210 lid 1 is daaraan geen behoefte; in geval het genot dat
de huurder mocht verwachten, geheel onmogelijk is geworden is er immers
voor enige opzeggings- of ontruimingsbescherming geen plaats meer.
Lid 2 (art. 7:231 BW)
| Lid 2. De verhuurder kan de overeenkomst
op de voet van artikel 267 van Boek 6 ontbinden op de grond dat ten
aanzien van het gehuurde een besluit als bedoeld in artikel 174a Gemeentewet
is genomen. |
Nota n.a.v. Verslag art. 231 lid 2:
2. Naar aanleiding van het tweede lid heeft de Commissie gevraagd
waarom de verhuurder buitengerechtelijk kan ontbinden wanneer hij bekend
was met het voorgenomen gebruik als drugspand en derhalve geen sprake
is van een tekortkoming van de huurder.
Het gaat hier om het geval dat ter zake van het gehuurde in het kader
van de bestrijding van overlast door drugsgebruikers een besluit als bedoeld
in artikel 174a Gemeentewet is opgenomen, dat erop neerkomt dat het pand
wordt gesloten en derhalve naleving van de huurovereenkomst onmogelijk
wordt gemaakt. In beginsel zal dit betekenen dat de huurder geen huur
meer verschuldigd is of, als de sluiting het gevolg is van zijn eigen
gedrag, vermoedelijk geen verhaal of nauwelijks verhaal zal bieden. Voortduren
van de huurovereenkomst zal in dit geval weinig zin hebben en in elk geval
voor de verhuurder zeer nadelig uitpakken. Een betere oplossing is dat
hij zo spoedig mogelijk en nieuwe huurder vindt en op grondslag van deze
nieuwe huurovereenkomst opheffing van het gemeentebesluit kan vragen.
Indien hij daartoe eerst een ontbindingsvordering zou moeten instellen,
zou de huurovereenkomst gedurende het geding voortduren, zodat de ontstane
impasse langere tijd zou blijven bestaan. Dat is onwenselijk geoordeeld
, ook omdat het beter is dat in gevallen als hier bedoeld de verhuurder
aan de sanering meewerkt, hetgeen hij kan doen door de bestaande huurovereenkomst
zo spoedig mogelijk te beëindigen.
Juist is dat de ontbinding niet gegrond is op een tekortkoming van de
huurder, maar op de enkele grond dat een gemeente een besluit als voormeld
heeft genomen (Wet van 13 maart 1997, Stb. 132; kamerstukken 1995/1996,
24 699)
|